Vaticaan spreekt niet het laatste woord

Na jaren studie zag begin deze week een verklaring het licht van het Vaticaan waarin niet de kerk maar de individuele katholieken medeschuldig worden bevonden aan de uitroeiing van zes miljoen joden. De kritische vragen ten spijt bezegelt de verklaring volgens A.H. van Luyn wel degelijk de wil van de kerk tot inkeer.

Rabbijn Lody van de Kamp steekt zijn teleurstelling over de verklaring van het Vaticaan inzake antisemitisme en de Shoah (17 maart) niet onder stoelen of banken. Hij wijst onder meer op de onduidelijkheid tot wie de verklaring is gericht, op de woordkeus die niet strookt met de eeuwenoude ervaringen van de joodse gemeenschap met de kerk en op de meer dan gewone behoedzaamheid.

Concluderend stelt hij ook: “Een verklaring die meer dan vijftig jaar na de Shoah het licht ziet [...] kan wat mij betreft niet zorgvuldig genoeg worden geformuleerd. Zeker wanneer zij is gericht tot de jood als de overlevende van de Shoah”. Zijn kritische vragen - die ik deze week ook elders mocht beluisteren - zijn begrijpelijk en, voor zover dat natuurlijk kan, invoelbaar. De pijn van het verleden die ook in de reacties doorklinkt, mag niet genegeerd worden.

Is dit document het finale antwoord van de kerk inzake de Shoah en het antisemitisme? Neen, daarvoor zijn de vragen te indringend, te confronterend en te complex, dan dat er in dit document recht aan kan worden gedaan. Toen de Nederlandse bisschoppen zich in 1995 uitspraken over de Shoah en de houding van de kerk, waren ook zij zich ervan bewust dat hiermee het laatste woord niet was gezegd. Is de stijl van deze verklaring - doorgaans eigen aan documenten die voor de wereldkerk zijn bedoeld - geschikt om de schaamte te verwoorden die ons bevangt wanneer onze gedachten teruggaan naar de donkere jaren van de catastrofe, of nog verder, naar de vele eeuwen daarvoor? Daarover zei de paus tijdens zijn bezoek aan de synagoge in Rome (1986) dat “we ons moeten herinneren hoezeer de balans (van deze relaties) over tweeduizend jaren negatief is geweest”.

De verklaring roept vragen op die verdere bezinning noodzakelijk maken. Is onze kennis van de rol van de diplomatie van het Vaticaan en de pogingen van de paus ten tijde van de catastrofe uitputtend genoeg om tot eenduidige conclusies te komen? Pleit de kerk zich vrij wanneer ze in het document een vrij scherp onderscheid lijkt te maken tussen het handelen van individuen en de kerkelijke traditie? Geenszins. Het document onderkent de funeste invloed van 'foutieve en onterechte anti-joodse interpretaties van het Nieuwe Testament' op de houding van individuele gelovigen jegens joden en jodendom.

Daarmee wordt noodzakelijkerwijze de vraag gesteld naar de oorsprongen van die interpretaties in kerkelijke uitspraken, in theologie en in de liturgie. Je zou in dit opzicht van een halve stap kunnen spreken, één die - later - logischerwijze gevolgd zal worden door een tweede halve stap. De Nederlandse bisschoppen erkenden daarom in 1995 dat een 'traditie van theologisch en kerkelijk anti-judaïsme heeft bijgedragen tot het ontstaan van een klimaat waarin de Shoah kon plaatsvinden'.

Toch mogen we bij alle kritische vragen de importantie van het document zoals het er nu ligt, niet over het hoofd zien. De verklaring heeft meer gewicht dan men op het eerste gezicht zou kunnen denken. Zij bezegelt de wil van de kerk tot inkeer, erkenning en vernieuwing. Zoals kardinaal Cassidy bij de presentatie zei, is de verklaring gericht tot “de katholieke gelovigen in de hele wereld, niet alleen in Europa waar de Shoah plaatsvond, in de hoop dat alle christenen zich met hun katholieke broeders en zusters zullen bezinnen op de catastrofe die het joodse volk trof, op haar oorzaken en op de morele imperatief te verzekeren, dat zo een tragedie nooit meer zal plaatsvinden”. De verklaring opent een nieuw en beslissend hoofdstuk in de sinds Nostra aetate (1965) op gang gekomen kerkelijke bezinning op de verhouding tot het jodendom en het joodse volk. Er is geen weg terug, alleen een die verder gaat. Wat betekent dit? Dat in een periode van enkele tientallen jaren een fundamentele ommekeer is gemaakt in een houding die in de herinnering van zo velen eeuwenlang onwrikbaar vast lag.

Kardinaal Cassidy noemde de verklaring meer dan een bekentenis, het is een act of repentance, een daad van 'teshuva', omkeer of 'metanoia', bekering. Waar de joodse gemeenschap de oprechtheid van deze oproep kan onderkennen zal dit zeker een positieve uitwerking hebben op het verdere proces van ommekeer. Kun je in een verklaring, ware ze ook anders geformuleerd, in het reine komen met een eeuwenoude geschiedenis en met de catastrofe die nog zo dichtbij ons ligt?

De kerk als geheel draagt in deze een morele verantwoordelijkheid, jegens het joodse volk en jegens zichzelf. Een verantwoordelijkheid die verder reikt dan het jaar 2000. De bereidheid om ons geloven en ons werken aan tiqqun olam - het herstel van de wereld - te toetsen aan een geest van verbondenheid met en respect voor het jodendom: deze bereidheid zal onze oprechtheid moeten aantonen. Daarbij geldt zeker dat wij de vragen vanuit het jodendom niet uit de weg mogen gaan.

    • Mgr. Drs. A.H. van Luyn