Telefooncrisis

Telefoongevechten uitgebroken. De telefoon voor de oneven nummers is gisteren door de junk uit 83 in elkaar geslagen. Hij kreeg ruzie met zijn vriendin en het zal wel een paar dagen duren voordat hij weer is gemaakt.

Nu is er nog maar één. Op 24 bellers die niet méér dan een uur beltijd per dag hebben, is dat niet veel. En de telefoon is belangrijk: het is het enige contact met de wereld.

Een uur voor de recreatie wordt er een briefje onder de deur geschoven. Tot nader order krijgt elke beller niet meer dan drie minuten. We moeten het zelf in de gaten houden. Dat is vragen om moeilijkheden. Wat kun je in drie minuten bellen? “Hallo, hallo, hoe gaat het, alles goed”, nog wat van dat soort dingen en weg is je gesprek alweer.

Vlak voor de recreatie is de spanning al om te snijden. Iedereen staat in de startblokken.

“Telefoon, telefoon”, schreeuwt het hele blok.

De grote vraag is: waar zullen ze beginnen te ontsluiten? Zullen het de even of oneven nummers zijn, de hoogste of de laagste?

Ik heb pech. Ze beginnen bij 81 aan de oneven kant en ik zit in 108 aan de andere kant. Voor mij zal er geen bellen meer in zitten.

Antonio, de Colombiaan, uit 85 is de eerste. Hij is er nog eerder dan de Rasta uit 81 die vlak voor de telefoon uitglijdt. Hij vraagt een collect call met Colombia aan.

“Dat kan niet, man”, sist Rasta. “Alleen het aanvragen duurt al tien minuten.”

Dreigend kijkt Antonio hem aan. Maar Rasta heeft wel gelijk. Wat hij flikt, kan echt niet. Hardhandig wordt de hoorn uit zijn handen geslagen. Even slingert hij doelloos in het luchtledige.

“Welk land wilt u eigenlijk?” kwekt een metalen stem.

De volgende is een Nederlander. Hij praat razendsnel en kijkt angstig in het rond. Bij de tweeëneenhalve minuut beginnen een paar wachtenden al op hun horloge te wijzen. Even voor de drie wordt er afkeurend gemompeld. Vlak erna wordt hij op de schouder getikt. Geïrriteerd kijkt hij om.

“Wij willen ook bellen”, wordt er van achter uit de rij geschreeuwd. De meute dringt op. Met moeite houdt hij zich staande. Maar hij geeft de hoorn niet af. Iemand geeft hem een tik. Hij gaat neer. Andere bellers storten zich op de hoorn. Er vallen klappen over en weer. Een junk krijgt hem te pakken, maar hij wordt direct weer uit zijn handen geslagen.

Er wordt hard geschreeuwd. Zes blauwen komen aangesneld. Iedereen valt stil.

“Einde recreatie, allemaal naar binnen.”

Het wordt doodstil; niemand verroert een vin. Het geweld hangt levensgroot in de lucht. Eén verkeerde beweging en het is gedaan. Maanden- en jarenlange frustraties zullen eruit worden geslagen. De gevolgen zijn niet te overzien. Ze kunnen variëren van een paar klappen tot gijzeling.

Langzaam komen de blauwen in beweging. Even dreigt er een front. Roerloos staan de partijen tegenover elkaar. Maar de Antillianen en Marokkanen druipen af. De telefoon is hun geen crisis waard. Het gevaar is geweken: als zij niet meedoen, stelt de rest van de oppositie niks voor. Eén voor één worden we ingesloten. De recreatie heeft zegge en schrijven twaalf minuten geduurd.

's Avonds is er een nieuw briefje. Tot nader order komen er twee recreaties per dag: één voor de even en één voor de oneven nummers. De telefooncrisis is van de baan.