SOBERE TECHNIEK IN INDONESIË

VIJFTIEN JAAR had Jan Keuper (58) voor de klas gestaan in het technisch onderwijs toen hij in 1980 met vrouw en kinderen naar Indonesië vertrok. In opdracht van de Interkerkelijke Coördinatie Commissie Ontwikkelingssamenwerking (ICCO) moest hij op Midden-Java proberen een middelbaar technische school uit het slop te trekken. De ICCO had geld in deze school gestoken, er was machinerie naar toe gestuurd, maar het onderwijs kwam niet van de grond. De technische apparatuur verdween onder het stof.

In drie jaar tijd maakte Keuper er in samenspraak met de directie en het lerarenteam een goedlopende school van. “De apparatuur werd gebruikt in productie-eenheden, waar leerlingen technische vaardigheden opdeden en de school inkomsten uit verwierf”, zegt hij. “De leerlingen maakten onder meer kleine lantaarnpalen op betonnen voetjes, windmolens om de sawa's te bevloeien en kozijnen. Allemaal zaken waaraan de locale bevolking behoefte had.” Ook zorgde Keuper ervoor dat er een cultuur van orde en netheid binnen de school ging heersen. “Je kunt niet nauwkeurig meten als het een rotzooi is.”

Sinds september 1997 draait er op zijn initiatief op twee middelbare scholen in Jakarta een proefproject technische vakken voor leerlingen van twaalf tot vijftien jaar. Naar verwachting zal binnenkort het aantal proefscholen worden uitgebreid tot zeven. Na een conferentie in Indonesië in 1993, waar Keuper voor een breed gehoor zijn ideeën ontvouwde over het techniekonderwijs voor 12- tot 15-jarigen, bleek hij voorpaginanieuws te zijn. Nog dezelfde dag werd hij door de toenmalige minister van onderwijs Wardiman in zijn hotel gebeld. Of hij niet eens wilde komen praten met de belangrijkste adviseur van de minister.

Het lijkt een succesverhaal, een toonbeeld van verantwoorde ontwikkelingssamenwerking. Maar als Keuper terugkijkt op alle schermutselingen die aan de proefprojecten zijn voorafgegaan, blijkt dat het voornamelijk draaide om de vraag wie het grote geld kon binnenhalen. De wegen der ontwikkelingssamenwerking lijken soms ondoorgrondelijk.

Keupers proefprojecten, die sober en praktisch van opzet zijn, worden grotendeels gefinancierd door scholen die enthousiast zijn over zijn werkwijze. Daarnaast komt er nog wat geld van de Unie van Christelijk Onderwijs in Nederland. Maar ondertussen is er ruim vier miljoen gulden, afkomstig van minister Ritzen, door een consortium waarin ondermeer de Stichting Leerplanontwikkeling (SLO) uit Enschede, de Hogeschool Utrecht en leveranciers van lokaalinrichtingen zitten, besteed aan proefprojecten op vier scholen en een leraaropleiding op Java. Keuper: “De technieklokalen die door hen werden ingericht kostten ruim 120.000 gulden per stuk. De standaard lesprogramma's werden er bij geleverd. Alles kwam uit Nederland. Equipment dropping heet dat en daar valt grof geld mee te verdienen.”

Keuper zat aanvankelijk ook in dit consortium, maar toen hij merkte dat “de trein doordenderde naar een verkeerde eindbestemming”, is hij er uit gestapt. Teleurgesteld stelt hij vast dat het oorspronkelijke projectplan waarvoor de minister ruim vier miljoen gulden heeft gefourneerd met voeten getreden wordt. Er is niemand die dat echt controleert, vermoedt hij.

In 1994 werd in Indonesië de leerplicht verlengd van 12 tot 15 jaar. In het stringente lesrooster van deze eerste fase van het voortgezet onderwijs is zes uur vrije ruimte gecreëerd die scholen naar eigen inzicht en locale behoefte kunnen invullen. Het gaat voor deze leeftijdscategorie om 27.000 scholen met zo'n 7 miljoen leerlingen. Voor zeker de helft van de leerlingen is dit eindonderwijs.

Keuper: “Elke school moet de gelegenheid hebben om eenvoudig te kunnen beginnen en die technische vakken te onderwijzen die belangrijk zijn voor het gebied waarin de school staat.” Daar is zijn lesprogramma op afgestemd. Het voorziet in twee technieklokalen die samen minder dan 30.000 gulden aan inrichtingskosten vergen. In het ene lokaal kunnen de vakken technisch tekenen, informatica, basis elektrotechniek, basis elektronica en energiesystemen (airco's, ijskasten) worden onderwezen. In het andere lokaal zijn dat de vakken houtbewerking, metaal, elektronische installaties, installatie- en algemene montagetechniek.

De lesprogramma's bestaan uit afgeronde modules waar scholen al naar gelang hun lokale belangstelling uit kunnen kiezen. De meubels worden in Indonesië gemaakt. De leerlingen leren de eerste beginselen van de techniek. “Een brede oriëntatie, maar wel praktisch en zonder gezwam”, aldus Keuper. Het gaat over zaken waar vrijwel iedere Indonesiër mee te maken heeft, zoals de waterpompjes die vaak kleine gebreken vertonen. En de leerlingen demonteren en monteren een Indonesische kraan en een Indonesisch slot, want deze zijn weer anders dan die van Nederlandse makelij. “Alleen daarom is het Nederlandse lesmateriaal niet zonder meer bruikbaar”, legt Keuper uit. Scholen hebben wat te kiezen in zijn programma-opzet. Keuper: “Een school in de stad zal eerder kiezen voor informatica, een school in een bosrijke omgeving voor houtbewerking en een school met heel weinig middelen kan beginnen met technisch tekenen, want dat vak vraagt weinig investeringen. Ze kunnen het langzaam opbouwen.”

Volgende week gaat Keuper weer naar Indonesië. Maar hij weet niet wat hij er zal aantreffen nu onlangs de financiële crisis in dat land is uitgebroken. “Voor onderwijs wordt al erg weinig geld uitgetrokken, slechts eenderde van de scholen voor voortgezet onderwijs wordt door de staat gesubsidieerd. De lerarensalarissen zijn onwaarschijnlijk laag. Scholen hebben het nu extra moeilijk.”