Andre Szasz, bestuurder van De Nederlansche Bank, in 1994

Foto ANP

Oud-bankier André Szász over de Europese Monetaire Unie: We bouwen op drijfzand

De Fransen wilden meer monetaire invloed in de wereld. Duitsland en Nederland gaven toe. Maar nu ook Italië zich dreigt te kwalificeren voor de EMU krijgt oud- directeur van De Nederlandsche Bank André Szász het benauwd. “De regering krijgt een probleem met haar geloof- waardigheid als ze akkoord gaat met Italië.”

De wegen van de publieke meningsvorming zijn ondoorgrondelijk. Terwijl de kleinste incidenten vaak tot grote commotie leiden, worden intussen de grootste beslissingen in betrekkelijke rust genomen. Zo bekvechten we paginabreed over de dubbelfunctie van een procureur-generaal, en geven we zonder merkbare onrust het zelfbeschikkingsrecht over ons geld op. Sluipenderwijs ontstaat een lotsgemeenschap in Europa waarvan de gevolgen nog niet te overzien zijn. Maar tot een publiek debat over deze stille revolutie wil het maar niet komen.

André Szász, tot voor enkele jaren directeur van De Nederlandsche Bank en belast met het internationale beleid, maakt zich wel zorgen. Meer dan dat, hij ziet met lede ogen aan hoe de monetaire unie, die hij mee heeft helpen voorbereiden, speelbal is geworden van politieke compromissen. Nu de besluitvorming in de beslissende fase is aangeland, worden de criteria voor deelname opgerekt en komen de garanties voor een sterke euro onder toenemende druk te staan. Szász, die nu hoogleraar Europese Studies is en in een adviescommissie voor de regering zit, zegt afgemeten: “Zo hebben we het nooit bedoeld.”

We spreken Szász in het kantoor dat hij nog steeds heeft bij De Nederlandsche Bank. Hij is niet de enige, ook Jelle Zijlstra had hier een ‘afkickruimte’. Soms spreekt hij onbewust over ‘ons standpunt’, het verleden is nog vers. Begin april verschijnt van zijn hand een kritisch epistel over de monetaire unie in de Internationale Spectator. Szász hecht er aan te onderstrepen dat zijn kritiek niet moet worden verward met een algehele scepsis tegenover de Europese eenwording. Zijn vrees is juist dat onnodige monetaire risico’s de politieke toenadering in Europa diepgaand verstoren.

Szász onderstreept dat politieke motieven en niet economische afwegingen de doorslag hebben gegeven bij de samensmelting van de munten in Europa. “Het zijn de Fransen die monetaire medezeggenschap willen. Het begon in de jaren zestig toen de Fransen in hun verzet tegen de Amerikaanse hegemonie kansen zagen op het monetaire vlak. Geleidelijk aan is het accent verschoven: het werd steeds duidelijker dat het Duitse beleid bepalend was voor wat er elders in Europa gebeurde en dat vonden de Fransen vervelend.”

Is die Franse wens om de machtsongelijkheid ten opzichte van de VS en Duitsland te corrigeren niet een heel productieve frustatie? “Misschien, maar het leidt er wel toe dat het accent sterk op het monetaire vlak is komen te liggen en ik vraag me af of die nadruk nu niet te eenzijdig is. Nederland en Duitsland stonden op het standpunt dat monetaire integratie niet houdbaar is zonder verdere economische en politieke toenadering. Holtrop, onze vroegere president, heeft ooit gezegd: ‘geld is een attribuut van soevereiniteit’. Je kunt dat attribuut niet integreren en verder soevereiniteit behouden.”

De centrale banken zijn altijd wars van teveel politieke tussenkomst in het monetaire beleid. Tegelijk zegt u dat het de Fransen juist te doen is om greep te houden op het beleid van de Bundesbank.

“Uit Frans gezichtspunt is er een tegenstrijdigheid: het ging hen erom medezeggenschap te krijgen in monetaire zaken en dat kunnen ze alleen maar krijgen door een Europese Centrale Bank die zich vervolgens onttrekt aan bemoeienis van de Franse regering.”

Waarom is Duitsland zo toegeeflijk ten opzichte van Frankrijk?

“Telkens wanneer Duitsland het buurland nodig had, maakte de monetaire unie een sprong voorwaarts. In 1969 toen de Ostpolitik begon, was het voor Brandt een hele toer om steun te krijgen in het Westen voor die opening naar het oosten. Toen kwam dat idee van een monetaire unie als geroepen. In 1987 kwamen de Fransen opnieuw met de suggestie om weer eens te gaan praten over het idee van een Europese Centrale Bank. Genscher was enthousiast. Die had kort daarvoor een rede gehouden waarin hij zei: ‘de Oost-Westverhoudingen zijn aan het veranderen. We moeten voor een evenwicht zorgen door een ten minste zo grote dynamiek in het Westen’. Dus het Franse plan voor een Europese Centrale Bank paste precies in zijn opzet.”

Szász ziet een patroon: “Duitsland is gevoelig voor de Franse aandrang om monetaire zeggenschap te krijgen teneinde zo het eventuele wantrouwen dat in Europa bestaat over initiatieven naar het oosten te ontzenuwen. Zo gezien is de euro het wisselgeld dat Duitsland voor de hereniging moet betalen. “Na de val van de Muur gaf Duitsland opnieuw toe. Er was inmiddels besloten dat er een intergouvernementele conferentie over de monetaire unie zou komen, maar de datum was open. Een maand nadat de grenzen tussen Oost- en West-Duitsland open gingen, werden daarover harde afspraken gemaakt.”

De hoop van Delors en anderen met betrekking tot die ene munt is vooral politiek. De monetaire unie zou dwingen tot samenwerking op velerlei gebieden: van fiscale harmonisering tot het gemeenschappelijk sociaal beleid. Kortom via de gemeenschapppelijke munt zal een dynamiek van staatsvorming op gang komen. Szász gelooft niet in deze redenering, het lijkt hem een omkering van wat in de geschiedenis zichtbaar is, namelijk dat politieke integratie vooraf gaat aan een muntunie. Uitzonderingen als België en Luxemburg of Zwitserland en Liechtenstein daargelaten.

“Er zijn mensen die zeggen dat je helemaal niet bang hoeft te zijn voor een dreigende mislukking van de monetaire unie, omdat juist door zulke spanningen verdere integratie wordt afgedwongen. Ik moet zeggen dat ik qua temperament voor een dergelijk brinkmanship terugschrik. Ik vraag me af of in zo’n klimaat met grote spanningen en verwijten over en weer, landen bereid zijn hun lot verder aan elkaar te verbinden.”

Voor een monetaire unie is een gemeenschappelijke munt niet nodig. Waarom dan toch de euro, met alle kosten die de inruil van munten met zich meebrengt?

“Om duidelijk te maken dat er geen weg terug is. De Euro heeft een symbolische betekenis. Als je de wisselkoersen onverbrekelijk aan elkaar koppelt en de munten volstrekt vrij inwisselbaar maakt dan impliceert dat een gezamenlijk monetair beleid en dan kun je in beginsel verschillende munten hebben.”

In het Verdrag van Maastricht staan de bekende criteria over een financieringstekort van maximaal drie procent en de staatsschuld van zestig procent. Worden die criteria nageleefd?

“Het tekortcriterium wordt zeker in Frankrijk alleen maar gehaald door enkele eenmalige transacties. En noch in Frankrijk, noch in Duitsland is op dit moment zicht op een verdere daling van het tekort. Als dit alles was, zou ik zeggen: laten we dat risico maar nemen. Wat het zo griezelig maakt is dat met name Duitsland niet meer in de positie is om striktheid van anderen te eisen. En dus kwalificeert Italië zich ook, een land waar het tekort in een jaar met grote vindingrijkheid van zeven naar drie procent is gewurgd. Ten minste tweederde van de maatregelen zijn niet duurzaam en bovendien is die drie procent te hoog gezien de staatsschuld. Italië voldoet niet aan de criteria van het verdrag.”

Alles wijst erop dat de Nederlandse regering zich neerlegt bij een Italiaanse deelname. Als Kok nu zegt dat hij waakt over een strikte toepassing van de criteria, misleidt hij dan het publiek?

Szász antwoordt behoedzaam: “Het definitieve oordeel is nog niet gegeven. Maar mocht de regering akkoord gaan met de deelneming van Italië in 1999, dan is dat niet omdat Italië aan de eisen van het verdrag voldoet, maar omdat het van plan is daar later alsnog aan te voldoen. De regering staat dan voor een lastige keuze: toegeven dat zij haar verzekering dat de criteria strikt zullen worden uitgelegd niet waar kan maken of doen alsof zij daar wel aan vasthoudt terwijl dat niet zo is.”

Maar dan houdt de regering zich toch niet aan de toezeggingen tegenover het parlement?

“Ik wil de Nederlandse regering niet bekritiseren voor iets wat ze nog niet gedaan heeft. Ik wil haar prijzen voor het standpunt dat ze tot nog toe heeft verdedigd. Maar de Nederlandse en de Duitse regering krijgen een probleem met hun geloofwaardigheid tegenover het eigen publiek als ze akkoord gaan met Italië. Terwijl geloofwaardigheid toch nergens belangrijker is dan waar het gaat om de munt. Zo bouwen we op drijfzand.”

Zijn er nog reële mogelijkheden om Italië buiten de montaire unie te houden of is zijn verzet tegen dat land niet meer dan een achterhoede gevecht?

“Een scenario zou kunnen zijn dat de Bundesbank, die zich ongetwijfeld ook zorgen zal maken over deze ontwikkeling, dat onbehagen laat blijken in haar oordeel volgende week. Vervolgens zal zo’n oordeel een rol spelen in het parlementaire debat in Duitsland. Op dat moment is het belangrijk als men zou weten dat een meerderheid in het Nederlandse parlement die zorg deelt. Zo’n oordeel zou een niet onbelangrijke rol kunnen spelen bij het Duitse debat.”

Is zijn angst voor Italië niet enigszins overdreven, want hoe kan een land tien andere EMU-landen in problemen brengen?

“Het probleem ontstaat vooral door belangentegenstellingen bij de beleidsbeslissingen. Een rentestijging kan onvermijdelijk zijn als je inflatie wilt bestrijden. Maar dat zijn altijd moeilijke beslissingen, zeker voor een centrale-bankgouverneur die weet dat één procent hogere rente in zijn land, met een schuld van meer dan honderd procent van het BBP zoals in Italië, één procent extra overheidstekort betekent. In zo’n situatie is het toch heel menselijk om te zeggen: laten we nog even wachten. En dat is precies het verschil tussen een beleid dat wèl en een beleid dat geen voorrang geeft aan prijsstabiliteit.”

Waarom die exclusieve zorg over Italië, waar ze landen als Nederland beschuldigen van een ‘monetair racisme’. België heeft toch ook een heel hoge staatsschuld?

“Jazeker, maar het gewicht van de Italiaanse economie is nu eenmaal veel groter. Deelname van Italië maakt de club duidelijk heterogener, er zullen grotere belangentegenstellingen zijn, die ook in de Europese Centrale Bank tot uiting komen. Dat betekent een verdeelde centrale bank en dat is een zwakke centrale bank. Een zwakke munt kan het gevolg zijn. Immers de wezenlijke garantie van een stabiele munt, een sterke onafhankelijke centrale bank, verliest zijn effect als die verdeeld is. Italië maakt een groot verschil, gezien de tegenstellingen die er toch al zijn. Hun deelname betekent een kwalitatieve omslag.”

In een monetaire unie die begint zonder Italië zou de Franse houding enigszins geïsoleerd zijn, hoopten Szász en de zijnen tien jaar geleden. Nu raken de Nederlandse en Duitse positie geïsoleerd in een toekomstige Europese Centrale Bank. Szász ziet politieke inbreuken op het verdrag en op de zelfstandigheid van de Bank.

“Zo waren er landen en ook leden van de Europese Commissie die de benoemingsperiode van de president van de Europese Centrale Bank wilden halveren. Dat was toch duidelijk in strijd met het verdrag. Het is de optelsom van pogingen om het verdrag op te rekken die omineus is. Als je zo begint, is er een goede kans dat je zo doorgaat.”

Een discussie in 2012 tussen de grondleggers van de euro, met o.a. Szász. Tekst gaat verder onder de video:

Tegenover die sombere verwachtingen staat de verplichting om van de euro een succes te maken. De monetaire unie is een fait accompli. Niemand kan zich toch een voorstelling maken van een herintroductie van de nationale munten?

“Dat zou een traumatische ervaring zijn. Men zal zo lang als mogelijk is proberen uit te stellen. Mijn zorg is niet zozeer die ultieme vorm van mislukken, maar de veel waarschijnlijker vormen van mislukken die daaraan vooraf gaan. Namelijk grote spanningen, verwijten over en weer, de overtuiging in Duitsland dat men erin is geluisd, toenemende frustraties, daar ligt mijn zorg. Kohl zegt het alternatief voor integratie is oorlog in de volgende eeuw. Ik ben het met die benadering eens, maar dat veronderstelt wel een goed functionerende monetaire unie. Gebeurt dat niet dan kunnen de spanningen die Kohl met de integratie wilde voorkomen, juist worden uitgelokt.”

Is er niet te weinig onderling vertrouwen voor de monetaire lotsgemeenschap die nu tot stand wordt gebracht in Europa?

“De overgrote meerderheid van het Duitse publiek heeft onvoldoende vertrouwen. In Nederland is het aantal mensen dat misgivings heeft duidelijk aan het toenemen, de laatste peiling wijst op meer dan de helft. De Europese Centrale Bank moet het juist hebben van publieke steun.”

Onderschat u niet de eigen aard van Europese politiek, dat wil zeggen compromisvorming tussen uiteenlopende belangen en tradities? De monetaire cultuur in Duitsland, die gevoed wordt door de associatie van inflatie en de machtsovername door Hitler, is nergens anders aan te treffen. Het is toch ook niet te verwachten dat de monetaire discipline van de Bundesbank maatgevend wordt?

Nu domineert de Bundesbank het monetaire beleid in Europa, maar het is niet te verwachten dat in een EMU die monetaire discipline maatgevend wordt. “We moeten beseffen dat Duitsland het enige land is dat werkelijk soevereiniteit verliest aan de toekomstige monetaire unie. Maar straks kan blijken dat Kohl dingen heeft weggegeven op een manier die door het publiek in Duitsland niet zal worden aanvaard. Tot nu toe wil geen enkele politieke partij een verkiezingsitem van Europa maken. Maar als men straks het gevoel heeft er te zijn ingeluisd, dan wordt het wel een issue.”

    • Paul Scheffer