Meer internationale druk op partijen in Kosovo

Als reactie op het recente gewelddadige optreden van de Servische politie besloot de Contactgroep voor Voormalig Joegoslavië tot de zoveelste internationale oproep aan Belgrado om met de Albanezen over autonomie te onderhandelen.

De oproep werd ondersteund door de aankondiging van een aantal sancties in het geval MiloviEÉc niet binnen tien dagen een einde maakt aan het politiegeweld, vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap tot de Drenica regio toelaat en een dialoog begint over een oplossing van het conflict. Mede onder druk van Rusland werd de toon van de oproep echter afgezwakt en de reikwijdte van de sancties beperkt.

Het lijkt er op dat de internationale gemeenschap weer niet tot overeenstemming kan komen en opnieuw met halfslachtig beleid reageert op een escalerende crisis in de Balkan. De druk op de betrokken partijen is te gering dat deze zich gedwongen voelen een compromisoplossing voor het conflict te aanvaarden. Het herstel van Kosovo's autonome status, zoals die tussen 1974 en 1989 bestond, wordt door de internationale gemeenschap gezien als een dergelijke oplossing. Een terugkeer naar de oude situatie is echter een optie die voor geen van de betrokken partijen op dit moment aanvaardbaar is.

Met betrekking tot autonomie zijn binnen de internationale gemeenschap ten minste twee opties in omloop.

De eerste optie voorziet in een autonome status zoals die in 1974 toegekend werd, maar zonder elementen van (semi)onafhankelijkheid. Ondanks haar huidige terughoudende opstelling lijkt een dergelijke zwakke vorm van autonomie bespreekbaar voor Belgrado. Ook het merendeel van de democratische oppositie kan met deze optie instemmen. Bovendien biedt de Joegoslavische grondwet van 1992 hiervoor ruimte.

Het tweede voorstel voorziet in een autonome status die verder gaat dan die welke Kosovo tussen 1974 en 1989 kende. Een vorm van autonomie met kenmerken van een semi-onafhankelijke republiek wordt vooral gesteund door de gematigde politieke vleugel onder de Albanezen in Kosovo. Voor Belgrado is deze en elke andere vorm van autonomie die verder gaat dan een symbolische status echter nauwelijks bespreekbaar. De regering vreest dat het toekennen van semi-onafhankelijkheid uiteindelijk zal leiden tot afscheiding. MiloviEÉc' Socialistische Partij en haar coalitiepartner, Verenigd Joegoslavisch Links, beklemtonen dat de huidige grondwet de Albanezen al voldoende zelfbestuur biedt. Zij willen alleen onderhandelen over het tot uitvoering brengen en eventueel uitbreiden van de mogelijkheden om binnen het huidige bestuurlijke en juridische kader autonomie voor de Albanezen vorm te geven. Voor veel Albanezen echter zijn beide vormen van autonomie een gepasseerd station na het verlies van Kosovo's autonome status in 1989 en na de onderdrukking en het geweld van de afgelopen jaren.

Tussen autonomie en onafhankelijkheid ligt het voorstel tot het verder federaliseren van Joegoslavië. Een aantal Albanese en Servische intellectuelen heeft zich ingezet voor het aan Kosovo toekennen van een status als volwaardige deelrepubliek. Joegoslavië, nu een federale staat bestaande uit Servië en Montenegro, zou hervormd moeten worden tot een confederale staat. Binnen deze staat zou Kosovo dezelfde semi-onafhankelijke status hebben als de huidige twee deelrepublieken. In 1981, tijdens een van de eerste grote etnische demonstraties in Kosovo, werd deze eis al gescandeerd. Voor de meeste Albanezen is dit idee nu echter ook achterhaald.

Op dit moment is een onafhankelijk Kosovo de optie die door de meeste Albanezen wordt ondersteund. In een door de Albanese minderheid georganiseerde volksraadpleging sprak een grote meerderheid in 1991 zich al uit voor dit idee. Een internationaal erkend onafhankelijk Kosovo is echter een doel dat vooralsnog alleen bereikt zal kunnen worden door burgeroorlog. Zowel de Joegoslavische regering, de oppositie, als de Servische publieke opinie is vierkant tegen elke optie die het historische hart van de Servische natie uit de Servische/Joegoslavische staat snijdt. Ook voor de internationale gemeenschap is een onafhankelijk Kosovo onbespreekbaar.

Voor de Albanezen in Kosovo is een eigen staat echter het doel waarnaar zij streven. Alleen over de weg die gevolgd moet worden om dit doel te bereiken lijkt onenigheid te bestaan. Radicale Albanese politieke groeperingen, waaronder het Kosovo Bevrijdingsleger, schrikken niet terug voor het gebruik van geweld. Zij zien nu het moment om de wapens (in grote hoeveelheden voorhanden na de uitbarsting van anarchie in Albanië) op te pakken. De gematigde vleugel, onder leiding van Ibrahim Rugova, ziet meer in een stappenplan: via autonomie binnen Servië en een semi-onafhankelijke status binnen een confederatie naar een onafhankelijke staat. Aansluiting van een eventueel onafhankelijk Kosovo bij Albanië lijkt een volgende stap, die weinig Albanezen echter wensen te zetten. Het idee van Kosovo als onderdeel van een 'Groot-Albanië' leeft slechts binnen de kleine kring van de Albanese Nationalistische Beweging.

Het opleggen van een internationaal protectoraat als tijdelijke oplossing voor het conflict in Kosovo is een idee dat na de ervaringen in Bosnië bespreekbaar is geworden. Daar is feitelijk sprake van een internationaal protectoraat, waar de vertegenwoordiger van de internationale gemeenschap, Carlos Westendorp, de verschillende partijen zijn wil op kan leggen. Met name de gematigde Albanezen dringen herhaaldelijk aan op vergaande internationale bemoeienis met het conflict. Voor de Serviërs is het overdragen van zeggenschap over de regio aan de internationale gemeenschap echter onbespreekbaar. Zelfs kritiek op het Servische beleid en het recente politie-optreden wordt door de Joegoslavische regering afgewezen als een onacceptabele vorm van inmenging in de binnenlandse aangelegenheden van een soevereine staat.

Inmenging in het conflict is echter noodzakelijk om een nieuwe geweldsspiraal in de regio te voorkomen. Hierbij is snel en daadkrachtig optreden van groot belang om de partijen te bewegen radicale en voor de internationale gemeenschap niet wenselijke opties te laten varen. Vanuit dit besef oefent de internationale gemeenschap druk uit om een compromisvoorstel over autonomie op tafel te houden. De druk is echter onvoldoende om de betrokkenen te dwingen in te stemmen met het herstel van Kosovo's autonome status. De recente veroordeling van het optreden van de Servische leiding door de Contactgroep, zonder een woord over de aanslagen van het Kosovo Bevrijdingsleger, was te zwak om Belgrado zich gedwongen te laten voelen serieus met de Albanezen over autonomie te onderhandelen zonder het vooraf stellen van restrictieve voorwaarden. De veroordeling was echter krachtig en eenzijdig genoeg om de Albanezen het idee te geven dat ze meer dan autonmie kunnen eisen. Een paar dagen na de verklaring van de Contactgroep meldde Ibrahim Rugova dat niet autonomie, maar onafhankelijkheid de inzet zal zijn bij eventuele onderhandelingen met Belgrado.

Uit de vele beperkingen die Belgrado voor onderhandelingen opwerpt en het verscherpen van de Albanese eisen blijkt dat een herstel van Kosovo's autonome status als compromisoplossing veel meer druk op zowel Serviërs als Albanezen vereist. Instemming met een autonoom Kosovo binnen Servië of als deelstaat van de Federale Republiek Joegoslavië is voor de betrokken partijen een compromis waartoe men zich door internationale pressie gedwongen zal moeten voelen. Voor zowel Servische als Albanese leiders is autonomie een groot offer dat met moeite verkocht kan worden aan de achterban.