Je bent een Montessorikind of niet

Na het onderwijskundig principe 'aansluiten bij de leefwereld van kinderen' kennen we tegenwoordig ook 'aansluiten bij de leefwereld van jongeren'. Dat moet, want anders leren ze op school niks, bij gebrek aan belangstelling.

Zolang dit idee wordt gehanteerd als didactisch principe is het een waardevol uitgangspunt, in belangrijke mate gebaseerd op de theorie over leerprocessen bij jonge kinderen van de Russische ontwikkelingspsycholoog Vygotskij. 'Leefwereld' moet dan worden opgevat als alles wat een kind al kent en kan uit ervaring, en weet en begrijpt door wat het eerder heeft geleerd. Een goede leraar en een goede leerstof sluiten aan bij voorbeelden en situaties die de leerling kan herkennen om hem of haar vervolgens een stapje verder te brengen naar wat Vygotskij 'de zone van de naaste ontwikkeling' noemde. Het gaat dan om leerstof die de leerling nèt niet kan begrijpen. Hierdoor ontstaat in het kinderhoofd een conflict, doordat wat het kind al wel weet en kan, niet past bij dat nieuwe dat het aangeboden krijgt. Over het proces dat dan volgt zijn de geleerden het niet eens. Volgens de theorie van de Zwitserse psycholoog Piaget komt een kind zelf tot inzicht en uitbreiding. Maar Vygotskij ging er vanuit dat de leraar moet uitleggen hoe de nieuwe stof is te plaatsen ten opzichte van wat de leerling al weet. In beide gevallen wordt het bekende echter uitdrukkelijk gemobiliseerd als vertrekpunt voor verder leren.

Een leven lang blijft trouwens gelden dat het leren van iets nieuws makkelijker en sneller gaat als het ten dele is in te passen in oude, reeds aanwezige kennis. Geheugentrainingen op latere leeftijd zijn ook op dat principe gebaseerd: cursisten leren nieuwe informatie zo om te vormen dat het aansluit bij wat zij al weten. Er blijken neurologische verklaringen te geven voor een dergelijke methode. Toenemende kennis betekent een verdichting van het zenuwnetwerk door steeds meer verbindingen. Leren is in die zin geheugen vormen. Of in moderne terminologie: leren is een informatieverwerkingsproces dat leidt tot vorming van geheugeninhouden. Doordat de kennis van een leerling in de loop der tijd toeneemt, vindt nieuwe kennis makkelijker een aanknopingspunt en zijn hem of haar steeds moeilijker dingen bij te brengen. Hoewel een goed geheugen niet hetzelfde is als intelligentie, is het voor begrijpen van verbanden - inzicht - wel nodig om de beschikking te hebben over enige kennis om daar vervolgens op een creatieve manier over te kunnen gaan doordenken.

Al met al is het begrijpelijk dat wellicht meer dan voorheen ook in het voortgezet onderwijs die leefwereld-aansluiting wordt gepropageerd als leerprincipe. Al te vaak echter wordt het idee misverstaan en denkt men niet aan een didactisch, maar aan een inhoudelijk principe. Wat aanwezig is wordt dan niet als vertrekpunt opgevat, maar als verblijfplaats voor leerstof. De inhoud moet gaan over onderwerpen die horen tot de leeftijdsbepaalde interessewereld van jongeren, eventueel uitgebreid met wat zij zelf menen dat hun in de toekomst van nut kan zijn. Dat misverstand is soms te zien in de discussies over het idee van het studiehuis, de nieuwe werkplek voor leerlingen in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs. Er zit een dubbele gedachte achter dit studiehuis. Enerzijds dat het motiverend zal zijn, omdat de leerlingen de gelegenheid krijgen hun eigen interesses te volgen. Anderzijds dat zij daar gestimuleerd worden tot zelfstandig werken.

Het eerste houdt volgens sommigen - en ik ben er daar een van - het risico in dat een flink aantal leerlingen inderdaad niet verder zal kijken dan het eigen blikveld van het moment, zal blijven steken in wat zeventienjarige Michael tegenover mij omschreef als “echt alleen maar de dingen die je in je leven nodig hebt en niet allemaal van die flauwekul”. Maar hoe klein, hoe bekrompen wordt het bestaan dan? Ik denk aan wat oude mensen nog wel eens vertellen over hun schooltijd aan het begin van deze eeuw. Hoe zwoegend over de boekjes - omdat het móest - allerlei werelden opengingen, hoe ze kennis maakten met feiten, gebeurtenissen en gedachten die het meestal eenvoudige, dagelijkse bestaan te buiten gingen. Maar ze voelden dat het belangrijk was om te weten. Niet alleen wegens de sociale mobiliteit, maar vooral door de innerlijke macht die je kreeg. Weten, denken, bedenken, fantaseren geven vrijheid. Waar zouden we nu zijn als leerlingen rond de eeuwwisseling alleen maar datgene hadden geleerd wat voor hun directe leefwereld relevant was? Van de democratisering zou waarschijnlijk niet veel terecht zijn gekomen.

Interesse alleen kan niet het laatste woord hebben, er kan ook geleerd worden zonder daar de directe zin van in te zien. Later daagt de betekenis van wat eens, zij het met tegenzin, is geleerd. Het staat dan zomaar ter beschikking in de inmiddels volwassen geworden hoofden. Naast innerlijke motivatie voor datgene wat hen interesseert moeten leerlingen dan ook een deel van hun motivatie zien te vinden buiten zichzelf, omdat het moet, om de leraar een plezier te doen, om er in de klas bij te blijven horen of om wat dan ook.

Natuurlijk zijn er leergierige leerlingen die je hun gang kunt laten gaan. Maar zo zijn ze niet allemaal, hoe graag onderwijsideologen dat ook zouden willen. Zoals oud-minister Van Kemenade eens zei tijdens een interview dat ik met hem had: “We moeten weer terug naar de oorspronkelijke motivering voor school: nieuwsgierigheid, behoefte om jezelf te ontplooien en de wereld om je heen te ontdekken en te bewerken.” Die behoefte is echter niet zo algemeen. Voor veel leerlingen is de school iets wat er nu eenmaal bij hoort, zo niet een noodzakelijk kwaad. En ook lang niet allen zullen in staat zijn zelfstandig te werken. Dat zou men kunnen weten op basis van de jarenlange ervaring met Montessori-onderwijs, waaraan het model van het studiehuis is ontleend en dat gebaseerd is op die zelfstandigheid. Voor lang niet alle leerlingen is deze onderwijsmethode geschikt gebleken. Je bent een echt Montessorikind of niet.

In het studiehuis zullen dan ook vooral de leerlingen aan hun trekken komen die door weetgierigheid gedreven uit zichzelf voor de nodige uitbreiding naar aanpalende kenniszones kunnen zorgen.