Hollandse zedenschets

PHILIPS HEEFT, zo schreef deze krant de afgelopen week, over een periode van zestien jaar drie miljard gulden aan Nederlandse subsidies en een miljard aan Europese subsidies ontvangen. Afhankelijk van de invalshoek is dat weinig of veel geld. De overheid subsidieert zoveel, er staan wel grotere bedragen op de Nederlandse begroting en het heeft mogelijk geholpen om het elektronicaconcern van de financiële ondergang te redden. Philips is een belangrijk bedrijf, voor Nederland en voor de Europese Unie.

Anderzijds is dit belastinggeld voor een particuliere onderneming en is het goeddeels verdwenen in mislukte projecten: de megachipsfabriek in Nijmegen, inmiddels gesloten, de ontwikkeling van high definition television, inmiddels als standaard verlaten, en platte tv-beeldschermen, een verliesgevende activiteit.

Deze technologiesubsidies blijken jarenlang te zijn gebruikt als vorm van marktinterventie. En dat was niet alles. In 1993 kwam hier de technolease-constructie bij, een vondst van de Rabobank en Philips om door de verkoop en terugverhuur van technologische kennis een kasinjectie aan Philips te geven, een belastingvoordeel aan de Rabobank en aan de staatskas een miljoenenstrop. De omvang van deze strop is omstreden, evenals de vraag of de constructie uitsluitend op Philips was toegesneden. Behalve Fokker, inmiddels ter ziele, heeft geen ander bedrijf er gebruik van mogen maken.

Langzaam maar zeker drong - eerst bij de Belastingdienst, later bij de Rekenkamer - door dat er iets danig scheef zat. Maar dat kwam niet in de openbaarheid omdat Den Haag zichzelf in een krankzinnige situatie had gemanoeuvreerd. Ten eerste omdat algemene toepassing van de technolease-constructie een gat in de vennootschapsbelasting zou hebben geslagen. En ten tweede omdat erkenning dat het steunbeleid niet conform de regels van de Europese Unie was, zou hebben geleid tot alarmering van DG-IV, het gevreesde directoraat in Brussel dat toeziet op de Europese concurrentieverhoudingen. Dat zou Nederland een aanzienlijke boete kunnen opleveren.

BUNKER-GEDRAG VAN de politiek-bureaucratische klasse was het gevolg. Bewindslieden, ambtenaren en parlementariërs doken weg in ontkenningen, zelfbescherming en afdekking. Het Haagse wereldje, waarin soms zoveel joviale openheid bestaat, sloot zich als een oester. Erkenning van fouten zou indruisen tegen het Nederlandse zelfbeeld dat ándere landen zich natuurlijk bezondigen aan schandelijke industriesubsidies, maar dat hier geen onfatsoenlijke dingen gebeuren, laat staan dat er iets niet zou deugen.

Bovendien: politici van álle grote partijen waren of zijn bij het dossier betrokken: De Korte (VVD), Andriessen (CDA), Wijers (D66) op Economische Zaken, Kok (PvdA), Van Amelsfoort (CDA), Zalm (VVD) en Vermeend (PvdA) op Financiën, Lubbers (CDA) en opnieuw Kok (PvdA) als premiers. Het is ironisch dat uiteindelijk de 'paarse' ministersploeg die met frisse openheid een einde zou maken aan de CDA-cultuur van het middenveld, alles heeft gedaan om de zaak in de doofpot te houden. Zalm en Wijers, hoewel niet rechtstreeks betrokken bij de totstandkoming van de technolease- en overige subsidies aan Philips, hebben de aftocht van deze Lubbers/Kok-erfenis afgedekt.

CONCLUSIES laten zich wel trekken. Technologiesubsidies zijn wat anders dan financiële steun voor een museum. Ongecontroleerde steun aan bedrijven werkt verslavend en levert slechts zelden op wat voorgespiegeld wordt in de subsidie-aanvrage. Uiteindelijk moeten bedrijven in staat zijn zichzelf staande te houden in de markt. En àls er dan steun wordt gegeven, moet het voor afgebakende duur en doel zijn, met heldere verantwoording. Voor de drie miljard die de Nederlandse overheid aan Philips heeft verstrekt, had ze (tegen de huidige beurskoers) de zeggenschap van zo'n 21 miljoen aandelen Philips kunnen kopen.

Daarnaast is gebleken hoezeer de Nederlandse politiek en ambtenarij de Europese Unie verwaarloost. Brussel, zo bevestigde minister Wijers, is heel wat dieper in het Philips-dossier gedoken dan zijn eigen departement. Brussel stelt regels waaraan niet alleen Frankrijk met Air France of Duitsland met Volkswagen zich moeten houden, maar ook Nederland met Philips.

De derde conclusie luidt dat industriebeleid via subsidies vrijwel altijd een doodlopende straat is. Als de overheid zich als financiële hulpverlener opstelt, eindigt dit in drama's zoals bij RSV en Fokker, in de financiering van mislukkingen of in de bescherming van het zittende management zoals bij Philips.

EN TEN SLOTTE is er de publieke rekenschap die niet wordt afgelegd. Sommige Kamerleden hebben hun rol als controleurs van de overheid als het om industriebeleid gaat, lang geleden opgegeven. De overheid deinst niet terug voor schaamteloze spelverruwing als zij zich in het nauw gedrongen voelt. Politieke ego's, industriële belangen, staatsbelang en prestigekwesties prevaleren boven openbaarheid over een beleid van drie miljard belastinggeld. Dat hiernaar geen grondig zelfonderzoek is begonnen, verdient nog het meest reflectie in deze Hollandse zedenschets.

My Cousin Vinny (Jonathan Lunn, 1992, VS). In povere komedie bewijst Joe Pesci als gesjochten advocaat dat in de rechtszaal intellect en studie niet opwegen tegen een robbertje New-Yorks-Italiaans bekvechten. BBC1, 23.35-1.30u.