Het geduld der geestelijken

olang ik mij kan herinneren ben ik een groot voorstander van onthaasting geweest. Klaarblijkelijk beviel het aardse bestaan van meet af aan zo goed dat ik elk moment zo lang mogelijk wilde rekken. Ik treuzelde daarom een beetje door het leven, vaak tot wanhoop van mijn omgeving.

In mijn jonge jaren wilde ik om die reden graag dominee worden. Alleen op zondag een uurtje werken, en de rest van de week wat verjaardagen, een enkele begrafenis en een paar zieken bezoeken. Eenvoudige bezigheden die genoeg tijd lieten voor dagdromerij, een mooi boek, de avondkrant en een rijk gezinsleven: van oudsher de beste ingrediënten voor een goede preek. In de ruime pastorie, die zo voorbeeldig onderhouden werd door hulpvaardige ouderlingen, zou daar plaats genoeg voor zijn.

Deze Hollandse jongensdroom is nooit in vervulling gegaan. De culturele revolutie van de jaren zestig drong mij een meer wereldse vorm van onthaasting op. Ik werd socioloog.

Het preken bleef, maar naar de pastorie en de ouderlingen kon ik fluiten. Bovendien bleken de mogelijkheden tot dagdromerij, die ik bij mijn studiekeuze zo ruim had ingeschat, in de beroepspraktijk zwaar tegen te vallen. Van mij werd een buitengewoon maatschappij-relevante inbreng verwacht. Dat betekende dat alles wat ik mijn studenten leerde direct bruikbaar moest zijn bij het veranderen van de samenleving. En daar was in die tijd nogal haast bij. Dag en nacht was men er mee bezig. Later werd dat gelukkig minder, maar er stond tegenover dat het beroep nu meer en meer werd ingekapseld in de oprukkende markteconomie. Het resultaat daarvan is dat maatschappijverandering vandaag organisatieverandering heet, en dat de socioloog moet uitleggen hoe je met dit laatste in een bedrijf zoveel mogelijk winst kan maken.

Ook dat is geen thema waarbij een bespiegelende geest tot rust komt. Bovendien verlangt mijn onderwijsorganisatie dat dit soort kennis aan zoveel mogelijk studenten in zo kort mogelijke tijd overgedragen wordt. Want ook zij wenst een bedrijf te zijn.

Het beeld van de socioloog als seculiere dominee die op zijn gemak door de samenleving kuiert en her en der een opbeurend praatje houdt, is een mythe gebleken. Helaas, moet ik daar met de grootst mogelijke spijt aan toevoegen.

Wie in onze tijd een onthaast bestaan wil leiden kan dus beter weer de oude route kiezen. Een studie theologie, of een gang door de katholieke seminaria. De geestelijkheid is de laatste professie die nog weerstand biedt tegen de moloch van het marktkapitalisme. De vroegere bondgenoten hebben immers een voor een de strijd gestaakt. Kunstenaars, sociale wetenschappers, politici, militairen, ambtenaren, brandweermannen, het hele front der vrijgestelden is ingestort. Zelfs de leden van het Koninklijk Huis lopen het olympisch vuur uit hun sloffen om het moordende tempo van de 24-uurseconomie bij te houden. Iedereen is druk bezig een eigen product op de markt te zetten en op de markt te houden.

Behalve de dominee en de pastoor. Die roeren bedachtzaam in hun thee en nemen nog een kaakje. Ze produceren niets. De oude boeken liggen opengeslagen in het late middaglicht. En in de tuin groeit sereen het voorjaarsgras.*)

Maar wat hier zo vredig wordt geschilderd, is in feite een heroïsch strijdtafereel. Want de rust in de pastorie kan elk moment kapot gescheurd worden door een telefoontje van het actiecomité. Hoeveel handtekeningen er binnen zijn, zal men vragen. Nog voor het eerste Journaal moeten de landelijke cijfers bekend zijn. Want er moet nu in de media gescoord worden. Wijers wankelt en kardinaal Simonis zit al in vol ornaat bij Maartje om straks de vrijemarkteconomie de beslissende slag toe te brengen. Dus hoeveel zijn het er? Hoeveel parochianen hebben getekend tegen een verdere verruiming van de Winkelsluitingswet? De actievoerder van het coördinatiepunt hijgt van opwinding door de lijn.

Het komt er nu op aan. Of de pastoor en de dominee zwichten en bellen de vijfenvijftig tegenstemmen uit hun Samen op Weg-gemeente door. Of ze weigeren hun medewerking aan de onthaastingsactie van gezamelijke kerken omdat ze nog één Handtekening missen. Ze brachten de hele middag door in stil gebed maar op de wand van de studeerkamer werd niets geschreven.

Laten we hopen dat het geduld van de geestelijken sterker is dan hun hang naar het snelle succes op de politieke-meningsmarkt. Want wie zonder uitdrukkelijke toestemming van boven de markteconomie wil verslaan, zou wel eens van een koude kermis thuis kunnen komen.

Als socioloog spreek ik hier uit eigen ervaring.

Bovendien, en dat is een meer praktisch bezwaar, als de winkels straks op zondag weer dicht gaan bestaat het risico dat het shoppen zich verplaatst naar de vrij toegankelijke kerkgebouwen. Het hedonistische publiek zal van de voorganger spectaculaire donderpreken eisen die niet iedere week over ex-minister Wijers mogen gaan.

Dat wordt dan hard werken voor de laatste onthaaste beroepsgroep van Nederland.

En dat kan toch niemands bedoeling zijn.

*) Dit serene gras ontleen ik aan de dichter Joop Blaauw. Onlangs, na twintig jaar zwijgen, verscheen van zijn hand een prachtig bundeltje vol bezonken levenslyriek onder de titel 'Leve de vooruitgang'. Het boekje is vervaardigd op de oude schrijfmachine van de dichter en ademt mede hierdoor een weldadige tijdloosheid uit. Voor de liefhebbers is het uitsluitend buiten de gewone markteconomie om te verkrijgen door 10 gulden over te maken op postrekeningnummer 4558274 t.n.v. J. Blaauw , Amsterdam. De oplage is beperkt, dus haast u!