Heipalen

Naar aanleiding van het bericht 'Bacterie vreet aan Haarlemse huizen' zou ik graag enkele kanttekeningen willen maken. Het gaat hier om het verlies van heipalen door een bacterie (17 maart).

Nu wordt er in Nederland al eeuwenlang geheid alvorens er gebouwd kan worden. Het gekke is dat er nooit gesproken werd of wordt over de aard van de palen die gebruikt werden. Daar ben ik als dendroloog ook pas heel laat achter gekomen. Het blijkt dat de stam van de gewone els (Alnus glutinosa) hier uitermate geschikt voor is. Onder water is die praktisch onverwoestbaar.

In Nederland wordt deze boom zelden zo groot dat je hem als zodanig gebruiken kan. Het optimum van de groei ligt in Oost-Pruisen en de Oostzee-staten. En het ligt voor de hand dat in de zeventiende eeuw, toen wij de vrachtvaarders van Europa waren, we zout en andere waren naar dit gebied brachten en er de mooie stammen van de els mee terugnamen. Ook Venetië staat op elzenpalen. Het voordeel van dit hout is dat het vrijwel onverwoestbaar is wanneer het zich in water bevindt, dat wil zeggen in een zuurstofarme omgeving. Na vier eeuwen horen we nog steeds niet van problemen hierover in onze hoofdstad. Het hout is namelijk rijk aan polyphenolen (o.a. tannine), die aanleiding geven tot de rode verkleuring van het hout na het kappen door oxydatie van die stoffen. Het hout is door 'moeder natuur' geïmpregneerd.

In Haarlem is grenenhout gebruikt. Dat is hout van de grove den, pinus silvestris, een boom die de eer heeft één van de drie inheemse coniferen soorten te mogen zijn: de boom heeft zich direct na de laatste ijstijd hier gevestigd.

In Nederland was dus al eeuwenlang de kennis aanwezig omtrent het hout dat je gebruiken moest voor het heien. Waarom die kennis opeens niet meer werd toegepast in een gebied waar die ruimschoots aanwezig was is mij een raadsel.