Heen en weer

NIEMAND DIE HET merkt, maar in deze rubriek is de traditie ontstaan om rond 21 maart een stukje over trekvogels of vogeltrek op te nemen. Meestal wordt de terugkeer van de vriendelijke tjiftjaf als aanleiding gebruikt, de tjiftjaf is zo'n beetje de eerste van de algemene zomervogels die Nederland na de winter weer opzoekt.

Maar dit jaar heeft hij zich nog niet laten horen rond de wulpse betonmassa waarin het AW-labo is ondergebracht. De capaciteit van de naburige electriciteitscentrale is verdrievoudigd, de spoorbaan wordt verdubbeld, er is een nieuwe weg aangelegd en een sloot gedempt, er zijn wat bosschages weggeschoven en wat weilandwinkels bijgeplaatst, dus misschien komt-ie helemaal niet meer. Eens komt heel het raderwerk stil te staan. Halverwege de week groeide het gevoel dat dit wel eens het laatste stukje over de trekvogeltrek kon worden. En dat niet langer kon worden gewacht met de behandeling van de vraag die waarschijnlijk dan en nacht vreet aan de gemoedsrust van de vogeltrekfreak: hoe is de vogeltrek eigenlijk ontstaan. Waarom doen trekvogels wat ze doen: heen en weer vliegen tussen noord en zuid terwijl zoveel andere, vaak nauwverwante vogelsoorten, elk jaar opnieuw aantonen dat het nergens voor nodig is.

Dat ganzen, spreeuwen en kokmeeuwen die 's zomers in Scandinavië of Rusland broeden, tegen de winter voor de vorst uit een stukje naar het zuiden opschuiven, is nog wel te begrijpen (al blijft het vreemd dat ze in maart en april weer teruggaan). De ongelooflijke afstanden die gierzwaluwen, sterns en ooievaars afleggen - vaak over de evenaar heen - stellen biologen nog steeds voor een raadsel. Het spot ook met begrippen als niche-bezetting en voedselspecialisatie.

Het was een aangename verrassing om bij de universitaire boekhandel tussen het overvloedige ecologie- en milieuwerk al bij eerste oogopslag een boek te vinden dat uitgerekend het ontstaan van de vogeltrek behandelde: 'The ecology of migrant birds' van John H. Rappole (Smithsonian Institute Press, 1995) gaat nauwelijks over ecologie maar gebruikt de resultaten van ecologisch onderzoek aan de ruim vierhonderd Noord-Amerikaanse trekvogelsoorten voor de wetenschapelijke onderbouwing van een heel acceptabele theorie over de evolutie van de trek.

En dat niet alleen. Rappole geeft bij wijze van inleiding ook een overzicht van wat er überhaupt aan theorieën is bedacht. Hij weet er, kennelijk in navolging van de ornitholoog S.A. Gauthreaux, maar liefst acht te onderscheiden en gelukkig zijn die niet allemaal even interessant of breed inzetbaar. Bijna alle theorieën gaan er vanuit dat de trek ooit, in een geologisch ver verleden, afwezig was. Alle vogels waren toen standvogels. Een deel van de theoretici meent dat de huidige trekvogels in die tijd allemaal in het noorden woonde (de 'northern ancestral home theory') en dat ze door de een of andere oorzaak gedwongen werden 's winters naar het zuiden te gaan. Een ander deel hangt de southern ancestral theory aan: de trekvogels-in-spe zaten in het zuiden en waren opeens genoodzaakt de zomers in het noorden door te brengen, met broeden en al. Er was ook een - moeiteloos verworpen - theorie die de trek zag als een inmiddels geheel functieloze reactie op de grote geologische gebeurtenissen als continental drift, wereldwijde vergletsjering en zeespiegelverandering en natuurlijk is er iemand geweest die meent dat de huidige trekvogels lang geleden precies tussen noord en zuid in leefden.

Voor drie tamelijk voor de hand liggende theorieën ziet Rappole wel enig bestaansrecht. Hijzelf heeft zich ten doel gesteld steun te vezamelen voor de uitwerking van een oude southern ancestral home theorie (die onder meer ook door de evolutiebioloog Ernst Mayr werd aangehangen). De huidige trekvogels horen eigenlijk thuis in het zuiden en verlaten dat zuiden elk jaar onder dwang van de hevige intraspecifieke strijd om een voldoende groot broedterritorium. De vogels jaagden en jagen elkaar zelf naar het noorden. De minst dominante vertegenwoordigers van de soort, de vrouwtjes en jonge mannetjes zouden het eerst de wijk nemen. Rappole geeft een mooie onderbouwing.

Het klinkt elegant genoeg maar roept de vraag op of er tegenwoordig en in de voorhistorische tropen ook uitsluitend of vooral tijdens de noordelijke zomer (van april tot juli) werd gebroed - er lijkt geen enkele reden voor. De AW-leesploeg had daarover gistermiddag nog geen passage gevonden.

Lezer! Dit onderwerp is te groot en te breed voor deze rubriek. Ook het uitzetten van het heelal en de menswording van God komen hier niet goed uit de verf. De genoemde Gauthreaux heeft in 1982 al een formidabele beschouwing gepubliceerd over de evolutie van de vogeltrek (in deel zes van de serie 'Avian biology') en daaruit blijkt wel dat de kwestie niet in een paar woorden is te vangen. Laten we liever even nadenken over een vraag die dichter bij huis ligt en die beter is overzien. Waarom manifesteert de herfsttrek zich in Nederland zo geheel anders dan de voorjaarstrek. Waarom zien we in de herfst enorme vogelwolken boven de dijken van de Zeeuwse eilanden, onophoudelijk voorbijjagen van vinken en vinkachtigen en de triomfantelijke, massale verschijning van smienten en ganzen? En in het voorjaar: niets daarvan?

De start van een marathon is altijd wat drukker dan de finish, dat is zeker een deel van de verklaring. Daar valt tegen in te brengen dat het begin van een regenbui meer de aandacht trekt dan het eind, dus er zijn misschien wel meer factren die een rol spelen. Het vertrek uit Afrika, met het broeden nog voor de boeg, moet toch welhaast zeker onder invloed van andere stimuli plaatsvinden dan het vertrek als empty-nester uit Nederland en omgeving. In Nederland is de inval van koud weer vaak de 'trigger' voor massale verplaatsingen, in het zuiden is het klimaat veel constanter. Voor een deel van de vogels is de asymmetrie tussen voor- en najaarstrek al heel eenvoudig te verklaren, schreef de ornitholoog L. Tinbergen al 50 jaar geleden: veel Nederlandse zomervogels hebben een aangeboren neiging om bij het vallen van de herfst naar het zuidwesten weg te trekken. Dat leidt in dit land onherroepelijk tot stuwing aan de kust. Bij terugkeer in de lente ontbreekt dit effect.