Fritz en Vishy

In zijn boek Vishy Anand: My Best Games of Chess (Gambit Publications, Londen) schrijft Anand vaak iets als: “Toen ik deze stelling achteraf met Fritz bekeek...” Fritz is zijn schaakcomputer.

Een lezer die verzucht dat hij wil weten wat Anand van de stelling denkt en dat hij zelf wel kan zien wat een computer ervan vindt, heeft ongelijk. Het is moeilijk om een partij met de computer te analyseren en het kost veel tijd. Je kan er niet mee volstaan om de computer de stellingen uit de partij voor te leggen. Zonder menselijk ingrijpen gaat het niet. De mens analyseert zelf en komt dan in het struikgewas van varianten allerlei stellingen tegen waarover de computer misschien iets zinnigs kan zeggen, maar waar die op eigen benen nooit terecht zou komen. Het is een vak apart om de computer zo langs de vertakkingen van de analyse te leiden. Anand is er erg bedreven in. Soms brengt de computer de mens op het goede pad, juist door iets te doen wat naar menselijke maatstaven onnozel is. Anand schreef elders eens over een stelling waarin wit Dxh8 kon spelen. Dat zou een toren winnen, maar toch een slechte zet zijn. De computer deed hem. Toen vroeg Anand de computer om de op één na beste zet aan te geven. Dxh8 was verboden, dus deed de computer Dg7, met de bedoeling om op de volgende zet de toren op h8 te slaan, wat dan natuurlijk nog slechter zou zijn dan het een zet eerder al was. Maar toen Anand was uitgelachen, zag hij dat de zet Dg7, waar hij niet aan gedacht had, in feite een ijzersterke zet was, maar om redenen waar de computer zelf geen benul van had. Zo wordt het werken met de computer iets als het leggen van de I Tsjing. Het brengt je op gedachten.

Waar Anand ook goed in is, is iets wat de computer helemaal niet kan. In een paar zinnen de strategische lijn van een partij schetsen. Hij zou een uitstekend schaakleraar zijn. Bijvoorbeeld een opmerking bij een partij tegen Morovic. Anand heeft met wit de Maroczy-opstelling ingenomen, die hem ruimtevoordeel geeft, en schrijft dat hij geen bezwaar had tegen ruil van de lopers, omdat in dit soort stellingen geldt dat zwart meestal remise houdt als alleen zware stukken op het bord staan, maar dat één extra licht stuk erbij genoeg kan zijn om wits ruimtevoordeel tot zijn recht te laten komen. Erg leerzaam. Ook leerzaam is het om te zien dat ondanks die kaarsrechte strategische lijn de partij tenslotte toch wordt beslist door kleine tactische fouten in de tijdnoodfase, waarin Morovic een duidelijke remise miste.

Uit dit boek kan je ook leren dat de topspelers aardiger met elkaar omgaan dan het soms de schijn heeft in de verhalen van de journalisten. Als Anand als jongmaatje zijn eerste toptoernooi speelt en tegen Ivantsjoek zegt dat de Catalaanse opening saai is, laat die hem meteen een van zijn openingsanalyses zien waaruit blijkt dat er in het Catalaans veel moois te beleven valt. Later speelt Anand een partij tegen Ljubojevic, die met een fraai openingsnieuwtje Anands opzet weerlegt. Te laat herinnert Anand zich dat Ljubojevic in de goedheid zijns harten een jaar eerder al dat nieuwtje aan Anand had verteld. En Gelfand zegt, nadat hij door Anand in een prachtige partij verslagen is, dat hij er geen bezwaar tegen heeft om te verliezen als de winnaar zo mooi speelt als Anand het in die partij deed.

Prettig is het ook om te zien dat Anand erg van het Hoogovenstoernooi houdt, al is het er vaak koud. Nadat hij in 1995 de match in New York tegen Kasparov verloren heeft, is zijn eerste toernooi het Hoogovenstoernooi en hij noemt Wijk aan Zee, waar iedereen echt geïnteresserd is in schaken, de hemel vergeleken met de hel van New York. Een mooi boek.

De volgende partij is uit het jeugdwereldkampioenschap van 1987 in Baguio City op de Filippijnen. Ik was daar als secondant van Piket. Terwijl Anand aan het winnen was van Ninov maakte ik een praatje met de Israelische deelnemer Rechlis. “Vind jij Anand zo goed”, vroeg hij. “Ja, ik vind hem heel goed”, zei ik. “Nou, ik vind hem helemaal niet zo sterk”, zei Rechlis en hij liep weg. In de laatste ronde moest Rechlis met zwart tegen Anand. Dat zal hem leren, dacht ik. Maar nee, Rechlis kwam binnen de kortste keren gewonnen te staan. Het werd toch nog remise en Anand werd jeugdwereldkampioen, maar even leek het of Rechlis gelijk had gehad.

Wit Anand-zwart Ninov

1. e2-e4 c7-c5 2. Pg1-f3 e7-e6 3. d2-d4 c5xd4 4. Pf3xd4 a7-a6 5. Lf1-d3 Lf8-c5 6. Pd4-b3 Lc5-a7 7. Pb1-c3 Pb8-c6 8. Dd1-e2 d7-d6 9. Lc1-e3 La7xe3 10. De2xe3 Pg8-f6 11. g2-g4 b7-b5 12. 0-0-0 0-0 13. g4-g5 Pf6-e8 14. f2-f4 b5-b4 15. Pc3-e2 a6-a5 16. Pb3-d4 Pc6xd4 17. Pe2xd4 Dd8-b6 Tijdens de partij maakte Anand zich zorgen over 17...a4 18. Pc6 Dc7 19. Pxb4 a3 20. b3 Dc3, maar later zag hij dat zwart na 21. De1+ Db2+ 22. Kd2 weinig compensatie voor de pion zou hebben. Hij schrijft: “Het gebruik van computers heeft de mensen sceptischer gemaakt en nu zijn ze meer geneigd om pionnen te roven, tenzij er duidelijke compensatie is.” 18. e4-e5 Lc8-b7 19. Th1-f1 d6xe5 20. f4xe5 Ta8-d8 Nu kan wit het mooi uitmaken. Anand geeft 20...g6 21. Pf5 Dxe3 als de beste verdediging voor zwart. 21. Ld3xh7+ Kg8xh7 22. g5-g6+ Kh7-g8 22...Kxg6 23. Dd3+ gaat ook mis voor zwart. 23. De3-h3 Pe8-f6 24. exf6

Een mooi plaatje. 24...f7xg6 25. f6xg7 Zwart gaf op.

En nu een kras staaltje van openingsvoorbereiding. Wit brengt een nieuwtje op de veertiende zet. Alles wat daarna volgt, tot en met de slotstelling, had Anand twee jaar eerder al thuis bekeken met zijn secondant Michail Gurevich.

Wit Anand-zwart Ivantsjoek, Linares 1993

1. e2-e4 e7-e5 2. Pg1-f3 Pg8-f6 3. d2-d4 Pf6xe4 4. Lf1-d3 d7-d5 5. Pf3xe5 Pb8-d7 6. Pe5xd7 Lc8xd7 7. 0-0 Dd8-h4 8. c2-c4 0-0-0 9. c4-c5 g7-g5 10. Pb1-c3 Lf8-g7 11. g2-g3 Dh4-h3 12. Pc3xe4 d5xe4 13. Ld3xe4 Ld7-b5 14. Le4-g2 De nieuwe zet 14...Dh3-f5 15. Lc1-e3 Lb5xf1 16. Lg2xf1 Th8-e8 17. Dd1-a4 Kc8-b8 18. Ta1-d1 c7-c6 19. Td1-d3 Df5-e4 20. Td3-a3 a7-a6 21. Lf1-d3 De4-g4 Volgens Anand de verliezende zet. Beter was 21...Dd5. De hoofdvariant van zijn ingewikkelde analyse is daarna 22. Lxa6 Lxd4 23. Lxb7 Lxc5! en nu heeft wit weer veel mogelijkheden, maar volgens Anand niets beters dan 24. Lxc6 Dd1+ 25. Kg2 met een iets beter eindspel voor wit. Zo werd het later inderdaad een keer gespeeld. 22. Ta3-b3 Lg7xd4

23. Tb3xb7+! Kb8xb7 24. Da4xa6+ Kb7-b8 25. Da6-b6+ Kb8-a8 26. Db6xc6+ Ka8-b8 27. Dc6-b6+ Kb8-a8 28. Ld3-b5 Zwart gaf op.