Eerst de boom, dan de vruchten

Een weduwnaar van tegen de vijftig met twee kinderen uit Kerkrade staat voor een dilemma. Zijn dochter gaat volgend schooljaar Nederlands studeren en wil zich daarna wijden aan een carrière als schrijfster. De familie ziet in haar een nieuwe Palmen. Vader en dochter voorzien dat Connie nog zo'n jaar of tien uit ruime reserves moet kunnen putten, voordat ze van de royalties kan leven. Of misschien komt ze nooit zover. Dat beseffen die twee heel goed.

Moet hij zich laten leiden door haar toekomst, en die van zijn jongere zoon, of moet hij eerst aan zichzelf denken? Er zijn meer lezers die met dit dilemma worstelen. Het antwoord is eenvoudig: eerst de ouders en dan de kinderen. Een boom moet in goede conditie zijn om rijpe vruchten voort te brengen. Hoe goed en hoe rijp, dient iedereen zelf te bepalen.

Deze briefschrijver geniet een ruim inkomen, diep in het 60 procent tarief, maar loopt achter qua oudedagsvoorziening. Het gezin woont in een eigen huis met een hypotheek die de waarde van het huis met bijna anderhalve ton overtreft. Deze niet aflosbare hypotheek wordt op 65 jaar voor 60 procent afgelost met de uitkering uit een levensverzekering. Het negatieve vermogen in onroerend goed bedraagt derhalve: huis plus het inmiddels opgebouwde spaarsaldo in de verzekering minus de hypotheekschuld.

Na zijn eventuele overlijden, binnen enkele jaren, blijven de kinderen achter met een hypotheekschuld van circa 250 duizend gulden (waar het huis tegenover staat) en een te gering wezenpensioen voor hun toekomstplannen. Een passende verzekering bij overlijden (met onder meer de kinderen als verzekeringnemer, premiebetaler en de juiste tenaamstelling) en een testament zijn dus nodig, want magere Hein trekt zich nergens iets van aan.

De samenloop levensverzekering, overlijdensuitkering en successierecht (belasting op een erfenis) verdient de nodige aandacht. Dat geldt ook voor de verzekeringen gekoppeld aan een hypotheek. Wie dit niet goed regelt, zadelt zijn erfgenamen op met successierecht over de uitkering. Tot 1 juli 1998 kan men 'verkeerde' polissen laten herstellen, meldt de laatste Geldzaken, het orgaan van de vereniging Consument & Geldzaken [tel. (020) 684 90 55]. Wie op dit punt zekerheid wil, belle zijn assurantiebemiddelaar, verzekeraar of de plaatselijke belastingdienst om inlichtingen over successie en schenkingen.

Over zijn pensioen, dat de 70 procent norm niet haalt, maakt hij zich geen zorgen: er lopen enkele koopsompolissen die het peil straks iets optrekken.

Verder staat er een persoonlijke lening uit, waardoor de totale rente op circa 45 duizend gulden per jaar uitkomt. Daarvan betaalt de belasting 27 duizend gulden (60 procent), en hij 18 duizend (40 procent). Daarbij komt nog de premie voor de genoemde hypotheekverzekering.

Daalt het 60 procent tarief op termijn naar 48 procent, dan betaalt de fiscus 22 duizend gulden en de schuldenaar 23 duizend, in plaats van 18 duizend. Zo gaat de rente voor eigen rekening omhoog wanneer belastingtarieven dalen.

Eind van dit jaar en volgend jaar valt er 20 duizend gulden vrij. Moet hij daarmee de schulden aflossen of vast gaan beleggen voor de kinderen? Of kiezen voor een tussenweg? Het antwoord volgt uit een zijn doelstellingen.

Over vijf jaar wil hij terug naar zijn familie in Friesland, zijn geboortegrond, terug naar de wind, het water, de strakke landschappen niet onsierd door slordige heuvels. Dan moet de jongste de deur uit zijn om te studeren en rondt de oudste ongeveer haar studie af. Op dat moment gaat zijn Limburgse huis in de verkoop en moet daaruit de hypotheek worden afgelost. Ook die overschuld van anderhalve ton. Daarom is het zaak af te gaan lossen om schuld en verkoopwaarde met elkaar in evenwicht te brengen. De aflosverzekering loopt straks (waarschijnlijk) door: als extra oudedagsvoorziening of als aflossing voor een hypotheek op een nieuw eigen huis in Friesland.

Dit plan biedt weinig ruimte voor studie- en carriérebegeleiding, maar er staat tegenover dat zijn besteedbare inkomen toeneemt door de afnemende rentelasten. Met die ruimte kan hij iets doen in de komende tien tot vijftien jaar. Bijvoorbeeld een studiefonds vormen dat de kinderen zelf beheren vanaf het moment dat ze meerderjarig zijn. Daarin komen ook de spaargelden die nu op hun naam staan.

Hoe je die fondsen inricht, een flink deel gaat op een spaarrekening, hangt af van de financiële afwikkeling van de verhuizing over vijf jaar en de vorderingen van de kinderen. Misschien stijgt zijn huidige woonhuis in de komende jaren voldoende om de kinderen straks een flinke som te schenken.

Wanneer hij toch de beurskoorts voelt kriebelen, kan hij per kind iedere maand een vast bedrag in een aandelenbeleggingsfonds stoppen. Of de kinderen dat zelf laten doen. Dat is dan voor de lange termijn, zeg minstens vijf jaar.

    • Adriaan Hiele