Een verhaal van verzoening

Iemand stuurde me een bidprentje waarop in korte trekken het leven van Heinrich Popowitz werd beschreven. Ik ben volstrekt vreemd in de wereld van de bidprentjes, maar deze tekst vond ik eigenlijk wel treffend, in zijn oprechte eenvoud hier en daar zelfs poëtisch ('een hart zo groot als zijn handen'). En er zat zo'n typisch verhaal-van-na-de-oorlog aan vast.

Heinrich Popowitz was in 1926 geboren in Dortmund. Zijn vader moet afkomstig zijn geweest uit Roemenië.

Op zijn zeventiende werd Heinrich onder de wapenen geroepen en na een opleiding van drie weken stuurden ze hem naar het front. De kogels horen fluiten, zei hij weleens, was zo erg nog niet. Van fluitende kogels wist je tenminste zeker dat ze voorbij waren.

Hij werd in Denemarken gevangen genomen en toen de geallieerden hun krijgsgevangenen onder elkaar verdeelden, werd Heinrich aan de Belgen toegewezen. Hij kwam in de kolenmijn terecht, eerst Zwartberg, daarna Waterschei. Je kon, zei hij weleens, beter Vlaamse bewakers hebben dan Waalse. Vlamingen waren gemoedelijker. Vlamingen kon je (wederzijds in het dialect) tenminste verstaan.

Na verloop van tijd kwam hij naar Maaseik. Daar stond (en staat) de St. Janshoeve, een voormalige kloosterboerderij, gebouwen in de vorm van een hoefijzer. In het reusachtige woonhuis bespeur je nog steeds iets van devotie en chambrettes.

Hier leefde (en leeft) de familie Hons. Marcel, een van de vijf kinderen, was toen een jaar of twaalf.

“Hier in de buurt”, zegt hij, “woonde iemand die bij de bewaking van die krijgsgevangenen betrokken was. Zo kwam papa op het idee daar een knecht aan te vragen.”

Eerst kregen ze Horst. Horst was verbitterd. Die keek 's morgens naar het oosten, waar de zon opkwam, waar zijn vaderland lag. Horst had hartzeer, en dat kon hij heel goed onder woorden brengen. Ze corresponderen nog steeds met hem.

En toen, met Kerstmis '47, kwam Hein. Hein had eigenlijk al teruggemogen naar Duitsland, maar hij was zijn familie kwijt. Alle mogelijke brieven had hij geschreven, nooit antwoord. Zo werd hij opgenomen in een andere kring, die van de familie Hons.

Marcel: “Dat was een van de sterke punten van mijn papa: een arme mens was voor die ook een mens. Samen werken, dan ook samen eten. Vanaf de eerste dag heeft Hein bij ons aan tafel gezeten. Vanaf het eerste begin hebben we ons brood met Hein gedeeld.”

Hoe de beesten werden gevoerd en de stallen uitgemest. Hoe de paarden werden aangespannen voor de ploeg. Gemengd bedrijf natuurlijk, van een toom biggen tot een bongerd met kersen en een veldje met rogge. Tegenwoordig alleen nog maar melkvee.

Hein was een dierenvriend. “Die kon geen koe passeren”, zegt Marcel, “of er moest een aaike af.”

Van 1950 ongeveer dateert een foto van Hein in een winkelstraat in Maaseik. Sigaret tussen wijs- en middelvinger van de linkerhand. Keurig in het pak. Jasje met een dubbele rij knopen, stropdas met een metalen clip. Hij kijkt je afwachtend aan. Rond zijn lippen plooit zich een scheef lachje, aan de ene mondhoek een beetje verlegen, aan de andere een beetje verdrietig.

Zo ziet het er dus uit, noteer ik bij deze foto, zo laat een oorlog zijn soldaten achter. Maar dat is misschien nogal zwaar aangezet bij een 25-jarige jongeman, die door de straten van Maaseik op weg was naar de kermis. Mét een stel kornuiten. Stil en teruggetrokken was hij, maar niet eenzaam, geen zonderling. Hij had zijn eigen vrienden, hij onderhield zijn eigen sociale contacten.

Marcel: “Later klaagde hij weleens dat hij geen meisje had kunnen krijgen omdat de mensen zo anti-Duits waren. Maar als je hier op de fiets stapt, ben je met acht kilometer in Duitsland. Als hij had gewild, had hij zo een meisje kunnen gaan halen.”

Het moet in '56 zijn geweest dat Hein te horen kreeg dat zijn eigen familie nog wel degelijk bestond. Zijn broer kwam hem opzoeken. Die had vijf jaar lang in Russische krijgsgevangenschap geleefd. Die vertelde dat maar een kwart van de mannen dat had doorstaan.

Hun moeder bleek in Fockbek te wonen, ergens hoog in Sleeswijk-Holstein. Daar stond voor Hein een steen op het kerkhof. Overleden: datum en plaats onbekend. Dus die hebben ze toen maar laten verwijderen.

Hein bleef op de St. Janshoeve. Belg is hij nooit geworden, maar Duitser was hij ook niet meer. Hij peinsde er bijvoorbeeld niet over om zijn stem uit te brengen bij verkiezingen. Die hebben mij genoeg leed gedaan, zei hij dan.

Marcel: “Hein bleef altijd kalm. Hier op de boerderij begon zijn werk eigenlijk waar mijn geduld eindigde. De omheiningen nakijken. Champignons plukken in de wei. Afwachten tot de waterbak was volgepompt met water - een bak van tweeduizend liter; dat kon wel drie kwartier duren. Of als er een knoopje moest worden gelegd in de draad van het collier van mijn vrouw... of als de scherven van een gevallen kommeke weer aan elkaar moesten worden gelijmd... hij had nooit haast. Er was eens iemand die hem zo bezig zag, en die zei: geen wonder dat Hitler de oorlog verloren heeft. Maar wíEÉj zeggen: dat hebben wij aan Hitler te danken, dat Hein bij ons gekomen is.”

De laatste foto is van juli 1996, toen Heins zeventigste verjaardag werd gevierd in de wetenschap dat er hierna voor hem geen verjaardagen meer zouden zijn. Hein met zijn zuster Martha in de moestuin, zijn moestuin. Samen bewonderen ze een tros druiven, zijn druiven.

Het jasje valt hem nu veel te ruim. Broodmager. Uitgemergeld door zijn ziekte. In zijn gezicht heeft de pijn diepe groeven getrokken. Het staat schever dan voorheen. Je herkent onmiddellijk het lachje dat hem om de lippen speelt, maar wat eerst nog zweemde naar verlegenheid en verdriet, vertoont nu alleen maar vriendelijkheid.

Uit het bidprentje:

Hein van Hons

Hein van ons

onze oudere broer

die zich steeds op de achtergrond hield

maar op wiens schoot de kinderen zaten

de kleinkinderen en daarna de achterkleinkinderen

die hart had zo groot als zijn handen

die zacht was voor dieren, de groentetuin onderhield

en geen zorgen kende

maar overal te hulp kwam waar hij helpen kon

“Alles in orde?” - “Um so besser” - “Tot weer wat is!”