Deutzia

Als je nu de tuin ingaat stuit je op een onzichtbare barrière, bestaande uit Essence van Kater en Keizerskroon, zo ontzettend sterk dat je bijna niet kunt ademhalen. De schuldige is onze eigen jonge poes, hoewel ze wel wat geschrokken is van de belangstelling.

Reusachtige louche katers komen van mijlen in de omtrek om haar het hof te maken; ze sluipen rond in de tuin, ze sproeien tegen alle verticale oppervlakken en laten een hoopvol gebrul horen. Laatst zat er een, roerloos, onbeschaamd dicht bij het huis; ik bestookte hem met berispende blikken, maar toen mijn ogen aan het duister gewend waren zag ik dat het maar een bloempot was. Na ook het miasme van de keizerskroon achter mij te hebben gelaten (E.A.Bowles schreef dat het hem aan het station van Exeter herinnerde) trof ik mijn Deutzia x rosea 'Campanulata' vol knoppen: dat moet wel uitzonderlijk vroeg zijn voor een plant die in mei of juni bloeit. Alice M. Coats schrijft in Garden Shrubs and their Histories de Deutzia één nadeel toe: te winterhard. Dat klinkt als een grap maar haar uitleg is volkomen redelijk: deze planten zijn ontwikkeld voor extreem strenge winters die in één keer voorbij zijn; de winter hier talmt en treuzelt, lijkt voorbij te zijn en komt dan terug. In de mildere periodes ontwikkelen zich bloemknoppen, om prompt te grazen te worden genomen door de volgende nachtvorst.

De Deutzia, in elk geval de soort die ik heb, is een opmerkelijk duldzame plant. De mijne staat in een droge donkere hoek aan de voet van een perenboom waar de drip-feed haar niet bereikt, en toch bloeit zij ieder jaar uitbundig. De bloemen zijn wit en klein, op tamelijk slanke elegante takken. Het roept een sfeer van bruiloften op: ik denk door het pure wit en het onverwachte contrast met de grijze stam van de peer, verrassend alsof je een bruid in vol ornaat eenzaam door de tuin zag dwalen. Voor de rest heeft zij nogal onopmerkelijke lichtgroene bladeren, maar dat hindert niet want zij is vrijwel onzichtbaar terwijl zij niet bloeit (zoals Graham Stuart Thomas het beleefd uitdrukt: 'it doesn't excel in autumn'). Ik kocht haar op aanraden van Marjorie Fish, Gardening in the Shade; zij was voor schaduw ook heel positief over D. x elegantissima met rose bloemen en D. x kalmiiflora, zowel rose als wit. Dit zijn de kleinere Deutzia's; er bestaan ook veel grotere.

Zoals zoveel planten komen ze uit China. D. scabra is de Oervoorouder, drie meter hoog en laat genoeg bloeiend om aan onze voorjaarsvorst te ontsnappen. Deutzia's zijn nieuwkomers in Europa, deze D. scabra werd geïntroduceerd in 1822, Maar zij werd al door Kaempfer in 1712 en door Thunberg in 1784 beschreven als een tuinplant in Japan. De eerste zei dat het hout gebruikt werd voor kasten en de laatste dat de bladeren, die ruw zijn (scaber betekent ruig) 'gebruikt werden voor polijsten, met inbegrip van het polijsten van het eigen hout' - hetgeen je vaag het gevoel geeft dat de mozaïsche wetten het verbieden, zoals het muilbanden van den os als hij dorscht en het koken van het bokje in de melk zijner moeder'(Deut 25 & 14).

De Chinezen kweekten de Deutzia niet als sierplant in hun tuinen, ze schijnen haar alleen medicinaal te hebben gebruikt. En dan nog met angst en beven: volgens de Chinese Flora die ik heb (onvolledig, helaas; maar, geluk bij een ongeluk: mijn twee delen zijn juist degene waar de belangrijkste planten in staan): 'Gemeenzaam gebruikt als koortswerend middel; vergiftig en moet derhalve omzichtig worden behandeld.' De Chinese naam is soushu hetgeen iets betekent als 'pisdoordrenkt', onvermijdelijk herinnerend aan pissenlit, maar waar pissenlit een diureticum is, was de Deutzia (of beter de bast ervan) volgens de Bencao gangmu van Li Sishen (1596) over het farmacologisch gebruik van planten, een middel tegen incontinentie. Als gevolg daarvan komt het helaas niet in literaire bronnen voor, alleen in strikt medische.

De Deutzia is genoemd naar een Nederlander, Johan van der Deutz (1743-1788), vriend en beschermheer van Carl Thunberg, de Zweedse botanicus en leerling van Linnaeus. Hij was jurist en raadslid van Amsterdam, en droeg bij aan het financieren van Thunbergs botanische projecten toen hij naar Japan ging. Volgens Alice Coats was hij ook 'een enthousiast amateur botanicus en correspondeerde hij met Sir Joseph Banks; een brief geschreven in 1777, toen Thunberg op weg naar huis was, beloofde Banks een aandeel in de planten die hij mee zou brengen, en later in het jaar werden enkele van Thunbergs zaden verzonden'. Het is mogelijk, concludeert zij, dat sommige van de introducties van planten toegeschreven aan Banks in feite op naam zouden moeten komen van Deutz.

Bijna al de grote plantenverzamelaars in China schijnen hun Deutzia te hebben gevonden. Pater Delavay stuurde D. purparescens naar de firma Vilmorin, Pater Fargès stuurde hun D. vilmorinae, Augustine Henry vond D. discolor (later geïntroduceerd door E.H. Wilson), George Forrest D. monbeigii; Robert Fortune had er ook een, Reginald Farrer eveneens, maar E.H. Wilson de beste van allemaal: D. pulchra, gevonden op Formosa (het huidige Taiwan) in 1918. Een soort die geïntroduceerd werd omstreeks 1840 was D. gracilis, de soort die het gemakkelijkst tot bloei is te krijgen in het vroege voorjaar; aan het eind van de negentiende eeuw was deze Deutzia bijzonder populair in Nederland, vroeg geforceerd onder glas en gekweekt als tussencultuur in bedden met bolgewassen.

Deze werd ook, samen met D. scabra, de voorouder van vele moderne hybriden, zoals mijn D. x rosea 'Campanulata', gekweekt door de firma Lemoine in Nancy (ook verantwoordelijk voor enkele spectaculaire hydrangea's) tussen het eind van de vorige eeuw en de late jaren twintig.

De Deutzia is nauw verwant aan de Philadelphus, ook een schoonheid in de vroege zomer. Maar het blijft moeilijk niet te denken aan China, waar ze in het wild groeien: iets onvergetelijks moet dat zijn. Al blijft het een vreemde gedachte dat de mensen daarginds als ze ze zien, moeten denken aan incontinentie; aan de andere kant: de mijne zullen me nu altijd herinneren aan bezoekende katers.