De slag om Java

Verbazing alom, vorig jaar, toen Microsoft plotseling zijn noodlijdende erfvijand Apple de helpende hand toestak. Waarom liet Gates de lastpost uit het zonovergoten Californische Cupertino, nu het hem zo slecht verging, niet eenvoudig doodbloeden?

Het zou een ooit geduchte, en mogelijk nog steeds gevaarlijke concurrent minder betekenen. Toch waren er tenminste twee zwaarwegende redenen voor Gates om Apple in leven te houden, één politieke en rationele, en één waaraan een diepe zielsverwantschap met het bedrijf van Steve Jobbs ten grondslag lag. En allebei hebben ze te maken met het begrip monopolisme, dat Gates nu alweer jaren achtervolgt. De rationele overweging was, dat het wegvallen van Apple op de markt automatisch een nog groter overwicht van Windows als besturingssysteem voor PC's zou inhouden. Nu zijn er nog wel meer alternatieven, zoals Linux, maar geen daarvan heeft momenteel een marktpositie van serieuze betekenis. Het overwicht van Windows zou daarom zonder Apple zozeer op een feitelijk monopolie gaan lijken, dat de Amerikaanse overheid er niet meer aan voorbij kon gaan. Nu had diezelfde overheid al in 1984 laten zien dat ze bij het bestrijden van monopolies niet alleen blafte, maar bij gelegenheid ook daadwerkelijk beet, door telecomreus AT&T stuk te slaan. Dat AT&T uitgerekend in telecommunicatie deed, een terrein dat voor bedrijven als Microsoft steeds centraler wordt, maakte voor Gates de dreiging die van een door omstandigheden opgedrongen monopolie uitging alleen maar groter. Want geen enkele vader ziet zijn kind graag gevierendeeld worden, ook al is het nog zo'n monsterlijk geval.

Tegelijkertijd was Apple bij uitstek het bedrijf waar Gates zich verwant mee kon voelen. Apple had van het begin af aan een exclusieve strategie gevoerd, heel anders dan IBM. Niets van de technologie die in de Macintoshes verwerkt was, werd aan derden beschikbaar gesteld, terwijl IBM juist alles meteen bij het verschijnen van de eerste IBM-PC op straat had gegooid (het kon ook nauwelijks anders, in de IBM-PC was niets van betekenis te vinden dat door IBM zelf ontwikkeld was). Apple hoopte een dominante positie op de markt te bereiken door als enige een uniek product te leveren. Dat was jammerlijk mislukt; Apple werd gaandeweg door de aanzwellende vloedgolf van IBM-klonen letterlijk van de markt gespoeld, tot Gates, die met zijn MS-DOS op de IBM-golven was meegesurfd, de drenkeling vorig jaar op het nippertje uit het inktzwarte water viste. Wat Apple de das om had gedaan was niet de exclusieve strategie zelf, maar het feit dat die strategie werd ingezet vanuit een positie waarin er nog nauwelijks een markt bestond. De markt ontstond uit enorme aantallen instappers, die als nieuwkomer de vrije keus hadden: je binden aan dat ene merk Apple, met goed maar duur spul, of shoppen uit een snel groeiend aanbod aan IBM-achtige machines van diverse kwaliteit en prijs. Ze deden en masse het laatste.

Wat IBM in de vroege jaren tachtig was voor Apple, is nu Java voor Microsoft. Java is de programmeeromgeving die een definitief einde moet maken aan de incompatibiliteit van computersystemen. Java-programma's behoren te draaien op elk willekeurig computertype en met elke besturingssoftware. IBM-achtige machines, Apples, Sun-werkstations, UNIX, Linux, Solaris, Windows, het maakt voor een in Java geschreven programma idealiter allemaal niets meer uit. Als Java de nieuwe standaard wordt, worden computergebruikers veel minder afhankelijk van het type machine en het type besturingssysteem dat ze gebruiken.

Microsoft moest van Java dan ook van meet af aan niets hebben, want Microsoft heeft precies dezelfde ambitie die Apple ooit had: een onaantastbare dominantie op de markt door iets te bieden dat niemand anders kan leveren. Open standaards, de grondslag van Java, vloeken met die gedachte. Om die reden probeert Microsoft uit alle macht om het universele karakter van Java te breken, op een hele simpele manier: Java standaards zijn open, dus voor iedereen toegankelijk, dat is de essentie van het beestje. Je neemt dus die standaards, en bouwt je eigen Java versie. Die knoop je onlosmakelijk vast aan Windows, en je stopt er wat extraatjes in. En hup, ineens draaien normale Java-programma's niet meer behoorlijk op Windows-computers, en bouw je met Windows-java programma's die op geen enkele andere soort computer goed werken. Anders dan in de dagen van Apple heeft de klant ditmaal belangrijk minder in te brengen. De markt wordt niet meer bepaald door nieuwkomers, maar door gevestigde gebruikers, waarvan een fors percentage muurvast aan Windows vastgeklonken zit, en die dankzij Java juist minder afhankelijk van dat besturingssysteem zouden worden.

Hoe gevaarlijk Gates Java vindt, blijkt wel uit de gezamenlijke presentatie van Microsoft en Apple, vorige week, van op hun eigen Java-versie gebaseerde programma's. Daarmee kan geen spoor van twijfel meer bestaan aan het streven van Microsoft naar een feitelijk monopolie. Geen enkel ander doel kan met die actie gediend zijn. Dat dat gebeurt, juist nu Microsoft toch al onder vuur ligt vanwege de vermeende koppelverkoop van Windows en de Microsoft Explorer webbrowser, laat zien dat het breken van Java Gates zelfs het verlies van die slag wel waard is.

En de gebruiker is de sigaar. Die blijft worstelen met eenkennige, platformgebonden software, een probleem dat naarmate de computer steeds meer een netwerk wordt, steeds meer gaat knellen. Maar, roepen Microsoft-adepten, Microsoft-Java werkt met Windows wel sneller dan standaard Java. Ja, dat haalt je de koekoek, dat komt juist doordat rechtstreeks met Windows routines gewerkt wordt. Een moderne versie van 'programmeren op het staal', het door goede programmeurs altijd al verfoeide kunstje waardoor software vroeger soms maar op één enkele machine wilde werken, die nu Windows-Java opzettelijk onverenigbaar maakt met andere systemen. Het is een voordeeltje waarop permanent gedwongen winkelnering staat bij de rooshoofdige roverhoofdman uit Redmond. En bij het huidige tempo van de techniek maar een heel tijdelijk voordeeltje bovendien.