De magie van een trap met vijfentwintig treden

Vitesse verhuist naar het Gelredome. De sfeer bij de geelzwarte club van het volk zal in het hightech stadion heel anders zijn dan op Monnikenhuize, waar Vitesse 83 jaar voetbalde. “Daar hing een sfeer waarin je in staat was een moord te plegen.”

ARNHEM, 21 MAART. De magische trap, noemen ze hem in Arnhem. Wanneer de supporters op Monnikenhuize voor de wedstrijd de spelers boven aan de trap in de noordwesthoek zagen verschijnen, schreeuwden ze zich scheel en schor. Vooral vroeger, toen er nog 18.000 toeschouwers in het stadion konden, ging er dan een siddering over de staantribune, aan de overzijde waar de fanatiekste aanhang stond. Wanneer de spelers van Vitesse zich aan de trap meldden, wisten ze dat het een hete middag zou worden.

“Wanneer je van die trap afliep, gebeurde er iets gek met je”, weet Henk 'Charley' Bosveld nog. “Je kreeg het koud en warm tegelijk. Dan keek je neer op het stadion en zag je de tribunes, volgepakt met enthousiaste mensen. Dan voelde je je meteen heel sterk”, zegt de eens zo prachtige, vooral technische voetballer uit Velp, die acht jaar voor Vitesse speelde, vier jaar voor FC Twente en nog eens acht jaar voor Sparta. De tweevoudige international is nu 56 jaar en het doet hem pijn dat Vitesse afscheid neemt van Monnikenhuize.

Het voetbal van Vitesse stond in zijn tijd (tussen 1968 en 1979) model voor de mouwen opstropen. Bosveld was de technicus van Vitesse, de baltovenaar die met zijn waggelende manier van lopen (zoals Charley Chaplin) het spel verdeelde. “Ik was aanvoerder en dan koos ik bij de toss altijd eerst voor naar de Monnikensteeg spelen en in de tweede helft naar het doel naast de trap. In die tijd had je het Vitesse-kwartiertje. Dan gooiden we er in het laatste kwartier nog eens alles uit. Tegen Feyenoord stonden we eens acht minuten voor tijd met 2-0 achter. We dwongen twee strafschoppen af en ik benutte ze alle twee.”

Vitesse had vroeger geen spelers met sterallures, meent Bosveld. “Toen ik in 1968 na vier jaar Twente en vier jaar Sparta voor Vitesse ging spelen, was ik de ster. Maar ik kon ook hard voetballen. Het publiek eiste dat. We hadden geen fantastisch team, maar we werkten voor elkaar. Dan zei ik: 'We gaan verdomme die lui de zeik eens lauw maken.' Tegenwoordig voelen ze zich allemaal een vedette. Kijk dan wordt het publiek kritisch. Want Arnhemmers zijn zeer kritisch.”

Bennie Hofs groeide op in de wijk Klarendal. Zeventien jaar was hij lid van Vitesse. Hij speelde tussen 1963 en 1979 betaald voetbal. Hofs (51) was de terriër die spelers als Johan Cruijff op Monnikenhuize niet aan voetballen liet toekomen. “Zoals Vitesse op Monnikenhuize speelde, dat was zoals Feyenoord in de Kuip. Hard werken, dat wilden de mensen. Want Monnikenhuize lag in een woonwijk waar arbeiders woonden. Zoals de mensen op de staantribune stonden te schreeuwen, dat was fantastisch. Spelen tegen Feyenoord en Ajax was een belevenis, maar tegen Wageningen, NEC en De Graafschap was het oorlog. Later is het veel minder geworden. Ik ga er niet meer met plezier naar toe.”

Wanneer de magie van Monnikenhuize ter sprake komt, wordt Hofs lyrisch. “Die trap was het mooiste. Als je daar stond, kreeg je tranen in de ogen. Als jongen op de straantribune stond ik al te beven wanneer Vitesse van de trap afkwam. Later stond ik zelf op de trap en dan keek je uit over dat mooie groene veld en op dat volk op de staantribune. Die trap had geloof ik 25 treden. Waarom ik dat weet? Omdat ik die trap ook heb vervloekt. Toen Frans de Munck trainer was liet hij ons met een zandzak op de nek de trap op een neer hollen. Maar we werden er wel sterker door. Die trap was onze kracht.”

Frans de Munck (75) moet er een beetje om lachen. “Het was niet een idee van mij maar van mijn voorganger Pepi Gruber”, zegt de man die als 44-jarige bij Vitesse zijn laatste jaar als doelman beleefde en vervolgens nog tweemaal trainer van de Arnhemmers was. “Ik heb veel gemaakt, vooral bij FC Köln waar ze mij Die schwarze Katze noemde. Maar Vitesse was toch echt de club van het volk. Jongens die wilden werken. Publiek dat kritisch was. En een stadion met een sfeer waarin je in staat was een moord voor het publiek te plegen.”

In 1950 verrees aan de Rosendaalseweg Nieuw-Monnikenhuize, naast Oud-Monnikenhuize, dat aan de andere kant van de Monnikensteeg lag. Het oude stadion dat in 1915 werd gebouwd, moest plaatsmaken voor het zorgcentrum De Drie Gasthuizen. De naam Monnikenhuize of oorspronkelijk Monnikenhuyse is ontleend aan een klooster aan de voet van de Klarenbeekse heuvels. Op Nieuw-Monnikenhuize werd door architecten handig gebruikt gemaakt van de hoogteverschillen. De karakteristieke overdekte zittribune werd tegen een helling aangebouwd. Een oplopend dak, dat aan de achterzijde op de heuvelrand leek te rusten, stak over een kuil heen, alleen aan de voorzijde gesteund door enkele smalle pilaren. Als een vergrote uitgave van een veranda.

Hoog in de noordwest hoek van Nieuw-Monnikenhuize werden het clubgebouw en de kleedkamers gebouwd. Een trap vormde de verbinding met het veld. Op 3 september 1950 werd het stadion geopend met de wedstrijd Vitesse-Feyenoord (2-1). De trouwe en fanatieke aanhang moest dulden dat het stadion in de loop der jaren ingrijpende veranderingen onderging. De hoofdtribune werd in zijn geheel overdekt, evenals de overzijde, waar eens op de staantribune het echte Vitesse-volk stond. Achter het doel naast de trap verrezen lelijke skyboxen in de kleuren van Vitesse. Langzaam werd duidelijk dat Vitesse meer dan een volksclub werd en dat Monnikenhuize te oud was voor een modern voetbalbedrijf.

In de jaren tachtig lanceerde Vitesse-voorzitter Aalbers het plan voor een nieuw stadion, het Gelredome. Van de sfeer die Vitesse kenmerkte, zal er weinig te vinden zijn, vindt Bosveld. “Van mij hadden ze op Monnikenhuize mogen blijven. Ze hadden het kunnen renoveren. Nu gaan ze er mooie huisjes neerzetten. Misschien koop ik er een, speel ik elke dag een thuiswedstrijd.”