Belastinggeld is stuurgeld

Maandag debatteert de Tweede Kamer met minister Gerrit Zalm en staatsse- cretaris Willem Vermeend van Financiën over hun fiscale magnum opus 'Belastingen in de 21ste eeuw'. Belastingen spelen tot nu toe nauwelijks een rol in de verkiezingscampagne. Als het aan de financieel woordvoerders van de fracties ligt, komt daar met ingang van maandag verandering in.

DEN HAAG, 21 MAART. De sfeer van het fin de siècle inspireerde de top van Financiën, minister Gerrit Zalm (VVD) en staatssecretaris Willem Vermeend (PvdA), tot een nota van 304 pagina's over een belastingsysteem voor de komende eeuw. Het huidige stelsel is aan modernisering toe, vindt het paarse kabinet. Arbeid goedkoper, consumptie en milieuvervuiling duurder en een andere heffing over de inkomsten uit vermogen; dat is de rode draad van de nota 'Belastingen in de 21ste eeuw: een verkenning'. Het Leitmotiv van paars: 'werk, werk, werk' klinkt door in de belastingnota. Nederland vergrijst en dat betekent dat een groeiend beroep wordt gedaan op collectieve regelingen. Om deze extra uitgaven te kunnen financieren moeten meer mensen aan de slag. Via de belastingen en sociale premies dragen ze bij aan de financiering van de 'grijze golf'.

Beide bewindslieden presenteren hun ideeën als een verkenning, want PvdA, VVD en D66 bleken niet in staat het eens te worden over zo'n politiek gevoelig onderwerp als de herziening van het belastingstelsel. Vooral wijziging van de tarieven in de loon- en inkomstenbelasting vormt een heikel punt wegens de daaraan verbonden inkomenseffecten. Om die koopkrachteffecten glad te strijken moet de belastingherziening gepaard gaan met een lastenverlichting van 2,5 tot 5 miljard gulden; het zogenoemde smeergeld. De verdeeldheid tussen de coalitiepartijen verhinderde een duidelijke keuze voor het nieuwe stelsel. Het kabinet presenteert drie verschillende opties die het in achttien varianten uitwerkt. Minister Zalm camoufleert overigens laconiek de verdeeldheid van 'Paars' met de opmerking: “We hadden de klus kunnen afmaken, maar er schijnen ook nog verkiezingen te zijn.”

Eigenlijk zijn er nog meer varianten. Maar het paarse kabinet durfde het aan de vooravond van de Tweede-Kamerverkiezingen niet aan een variant uit te werken waarin de aftrek van de hypotheekrente wordt beperkt of geschrapt. Dat laatste zou 10,6 miljard gulden kunnen opleveren.

Een andere aftrekpost waardoor de gewenste tariefverlaging binnen handbereik kan komen betreft de pensioen- en lijfrentepremie - de aftrekpost die verzekeraars in pagina-grote advertenties presenteren als de weg naar een gesubsidieerde beleggingsopbrengst. De kostbare advertenties vormen al een aanwijzing voor de kapitalen die de verzekeraars zo kunnen verdienen; de eveneens kostbare lobby om de aftrekpost te redden bevestigt dat het om heel grote belangen gaat. Voor de schatkist gaat het jaarlijks om 12 miljard gulden. “De grootste subsidie in ons belastingstelsel”, aldus topambtenaar Sweder van Wijnbergen van Economische Zaken. In zijn eerste nieuwjaarsartikel in het economenblad ESB heeft hij de handschoen opgenomen tegen de pensioenlobby en schrappen van de aftrek van de premies bepleit. Zijn pleidooi vindt in de politiek en bij de sociale partners geen gehoor. De financieel woordwoerder van de PvdA-fractie, Rik van der Ploeg, beschouwt het voorstel als “een cadeautje voor de hoge inkomens waarvoor de middeninkomens het gelag betalen”.

Zo blijft het kabinet nog maar één grote financieringsbron voor tariefverlaging over: de belastingvrije sommen. De inkomensplaatjes die samenhangen met gesleutel aan de belastingvrije sommen beheersen de politieke discussie. Maar een echt substantiële tariefverlaging zit er pas in als de nu heilig verklaarde aftrekposten ook in discussie komen. Dan kan een tariefverlaging worden bereikt die zelfs een uniform tarief van 25 procent haalbaar maakt. Nu blijft bijna 40 procent van het voor belasting in aanmerking komende inkomen buiten schot door onder te duiken in aftrekposten. Zo kom je 'automatisch' aan hoge tarieven. Maar veel politici vinden dat niet zo erg zolang Nederland omringende landen ook redelijk hoge tarieven handhaven.

Door aftrekposten selectief toe te kennen kunnen de politici de economie en het maatschappelijk leven sturen en daar zijn ze tuk op. Belastinggeld is stuurgeld. Voor bijna ieder maatschappelijk probleem kan een creatief iemand een fiscaal instrument bedenken. Zeker, allemaal ten dienste van het 'algemeen belang', maar tegelijk holt het de innerlijke consistentie van het belastingstelsel uit en trekt het een zware wissel op de rechtvaardigheid van de belastingheffing. Door fiscale uitzonderingen derft de schatkist 90 miljard gulden. Daarvan is 25 miljard gulden een gevolg van de fiscale innovaties van het duo Zalm/Vermeend, zo berekende emiritus-hoogleraar Jan Giele eerder dit jaar. “Hun mislukking bestaat eruit dat ze geen kans zien dat geld vrij te maken voor een forse tariefverlaging.”

Een hoog tarief mag een leuk politiek speeltje zijn, het heeft als prijs dat de inkomstenbelasting ingewikkeld blijft. Hoge tarieven en complexiteit samen vormen een uitstekende voedingsbodem voor legale en frauduleuze manieren om aan belastingheffing te ontsnappen. Hoe verontwaardigd politici daarop ook mogen reageren, dergelijk calculerend gedrag vormt deels een heel begrijpelijke reactie op soms onredelijk zwaar op hen uitwerkende belastingdruk.

Nu een algemene tariefverlaging er niet in zit, komen Zalm/Vermeend de calculerende vermogenden tegemoet met een speciaal laag tarief voor vermogensvoordelen. Het bescheiden tarief van 25 procent wordt geheven over een verondersteld nettorendement van het vermogen van vier procent. Daarenboven verdwijnt de vermogensbelasting. Men kan het ook anders zien. De vermogensbelasting wordt verhoogd van 0,7 procent van het vermogen op 1 januari tot één procent daarvan, onder afschaffing van alle andere heffingen over vermogensinkomsten zoals rente en dividend.

Pagina 18: De vondst van Vermeend

Deze zogenaamde vermogensrendementsheffing is een geheel eigen vondst van Vermeend, zij bestaat nergens in de wereld. Door haar eenvoud zou het zeker moeten zijn dat het lager tarief wel daadwerkelijk binnenkomt. “Alle constructies zijn straks in één klap van de baan”, zei staatssecretaris Vermeend bij de presentatie van de verkenning. Dat is misschien wat overmoedig want vele belastingwetenschappers betwijfelen of Vermeends systeem internationaal gezien kan overleven terwijl er al belastingadviseurs bezig zijn de eerste ontwijkconstructies uit te werken.

Hoewel de vermogensrendementsheffing een theoretische doorbraak vormt en voor de rijken grote voor- of nadelen kan meebrengen, is het belang voor de schatkist beperkt. De mildheid van de heffing moet voorkomen dat nog meer vermogen het land om fiscale redenen ontvlucht. In de wetenschappelijke wereld stuit de heffing op wijdverbreide bezwaren. Zalm/Vermeend belasten het verkeerde rendementspercentage op het verkeerde moment, zo luidt het verwijt. Ook Vermeends partijgenoot Van der Ploeg keert zich tegen de vermogensrendementsheffing die hij te mild noemt voor de meest vermogende mensen. Hij verkiest een vermogenswinstbelasting die de werkelijke vermogenswinst belast op het moment waarop zij daadwerkelijk wordt gerealiseerd. De wetenschappelijke wereld is evenwel intern zo verdeeld over de haalbaarheid van een vermogenswinstbelasting dat het politieke enthousiasme voor zo'n theoretisch mooie heffing heel matig is. In de politiek spreekt de doorzichtige vermogensrendementsheffing meer aan, al worstelen velen met het uitgangspunt dat vermogensinkomsten lager worden belast dan arbeidsloon.

Bij de algemene politieke beschouwingen verlangde PvdA-fractievoorzitter Jacques Wallage van het nieuwe belastingplan dat het de verschillen tussen de inkomens kleiner maakt. Hij eist dat het kabinet nog voor de verkiezingen een rapport publiceert over de inkomenseffecten van de belastingoperatie Oort uit begin jaren negentig. Dat was de vorige grootscheepse belastingherziening waarbij aftrekposten zijn ingeruild tegen een tariefverlaging. “Ik ben er van overtuigd dat mensen met een hoger inkomen meer geprofiteerd hebben van Oort dan mensen met een laag inkomen. Oort heeft de verschillen tussen de inkomens vergroot. Dat moeten we rechtzetten in het nieuwe stelsel”, aldus Wallage.

Het spanningsveld waarin het plan verkeert, wordt duidelijk als het PvdA-standpunt wordt afgezet tegen de VVD-mening over de vermogensrendementsheffing. “Het tarief moet met het optrekken van de belastingvrije som, naar 35 procent”, zo oordeelt Van der Ploeg. Zijn VVD-collega Hans Hoogervorst typeert het 25-procentstarief als het maximum dat hij nog kan accepteren. Bovendien moet dan overeenkomstig het kabinetsplan de vermogensbelasting verdwijnen terwijl Van der Ploeg die juist wil verruimen, zij het tegen een lager tarief. Als het aan de PvdA-woordvoerder ligt, wordt ook de waarde van pensioen- en lijfrenteverzekeringen onder de heffing gebracht en wordt het eigen huis niet voor 60 maar voor 100 procent in de heffing betrokken.

Verwacht werd dat de Sociaal Economische Raad (SER) de politiek een compromis kon aanreiken maar daarvoor liggen inmiddels de standpunten te ver uiteen. In een advies aan de regering zetten de in de SER verenigde werkgevers, werknemers en de zogenoemde kroonleden hun kaarten (in meerderheid) niet op een vermogenswinstbelasting. Binnenskamers vinden SER-leden het een veeg teken dat landen die al langer een vermogenswinstbelasting hebben, daar helemaal niet zo blij mee zijn. Het idee van de door Vermeend ontwikkelde vermogensrendementsheffing spreekt de SER wel aan. Maar ook een meerderheid van de sociale partners heeft er moeite mee dat de vermogenden er door het lage tarief gemiddeld op vooruit kunnen gaan.

Ook in de discussies in de SER speelt het verhogen van het voorgestelde 25-procentstarief naar een 35-procentstarief een belangrijke rol. Misschien met de nuancering die de Rotterdamse hoogleraar Leo Stevens voorstelt. Die bepleit in het donderdag verschenen nummer van het Weekblad Fiscaal Recht om het tarief te differentiëren. Een heffing van 35 procent voor de belegger/niet aandeelhouder en 25 procent voor de aandeelhouder/belegger. “Een belangrijk voordeel is dat zodoende de als maatschappelijke onrechtvaardig beleefde belastingdruk tussen arbeid- en kapitaalinkomen wordt afgezwakt”, zo licht Stevens zijn idee toe. Het tarief van 35 procent sluit aan bij de eerste schijf voor de inkomstenbelasting en bij het tarief van de vennootschapsbelasting. Het hogere tarief acht hij bovendien gerechtvaardigd omdat rente een aftrekpost vormt voor het uitbetalende bedrijf en dividend niet.

In het voorwoord op de verkenning temperen Vermeend en Zalm de hoog gespannen verwachtingen: “de verkenning maakt duidelijk dat de marges voor een herziening smaller zijn dan veelal op de tekentafels van ontwerpers van nieuwe belastingstelsels wordt aangenomen.” Bij de genoemde Oort-herziening zijn de marges inderdaad pijnlijk duidelijk geworden. Maar er gebeurde tenminste nog iets. Een latere herzieningscommissie onder leiding van CDA-senator Willem Stevens zag haar ontwerp de tekentafel alleen verlaten om rechtstreeks in de lade met afgelegde ideeën te verdwijnen.

Dat lot had veel te maken met de opstelling van het toenmalige Tweede-Kamerlid Vermeend. “Ik houd niet zo van grote visies”, oordeelde Vermeend over dit plan. Maar hij zal er nu alles aan doen om de 'grote visie' achter zijn plan te realiseren. Daartoe doet hij er goed aan dicht in de buurt van de kabinetsformateur te blijven. Hij zal hem er van moeten overtuigen dat het de moeite waard is om voor tamelijk geringe tariefverlagingen forse ingrepen in de belastingstructuur uit te voeren met grote inkomenseffecten en de bijbehorende compensatiemaatregelen.

En dan maar hopen dat de berekeningen kloppen! Alle organisaties van belastingadviseurs hebben tegenover de Tweede Kamer verklaard dat ze het veel veiliger vinden het huidige stelsel op te lappen dan te experimenteren met een nieuw stelsel met geringe tariefeffecten. Maar de belastingadviseurs heben vast een heel andere invalshoek dan hun verklaarde vijand Van der Ploeg. Die vindt dat de kabinetsplannen niet ver genoeg gaan en niet sociaal genoeg zijn.

Verder zal Vermeend de formateur er van moeten overtuigen dat we af moeten stappen van het ideaal dat de sterkste schouders de zwaarste lasten dragen omdat dat ideaal niet door alle vermogenden vrijwillig wordt overgenomen en door de Belastingdienst niet kan worden afgedwongen. Ook iemand als Van der Ploeg erkent dat kapitaal veel minder plaatsgebonden dan arbeid is, maar hij verbindt die conclusie onbekommerd met de eis dat de hoogste inkomens en vermogende mensen meer moeten bijdragen aan de totale belastingopbrengsten. Als minister-president tekent Wim Kok juist voor een belastingverkenning die op dit punt de handdoek in de ring gooit. Mogelijk zal hij als formateur van een nieuw kabinet dit deel van de klassiek sociaal-democratische idealen voorgoed moeten loslaten en erkennen dat belastingheffen in de volgende eeuw meer met pragmatisme te maken heeft dan met ideologie.

    • Cees Banning
    • Aertjan Grotenhuis