Azië-instituten

GELUKKIG LOPEN we in Nederland niet altijd achter wanneer het gaat om de inrichting van wetenschappelijk onderzoek. Terwijl we hier al jarenlang een zeer actief International Institute for Asian Studies (IIAS) hebben, heeft Harvard University pas een Asian Institute sinds zomer 1997.

Het zou ons vaderlandse ego natuurlijk strelen wanneer we zouden mogen zeggen dat het IIAS model had gestaan voor het Asia Institute in Harvard, maar dat is maar zeer de vraag. Als het al zo zou zijn, werd er in ieder geval niet naar verwezen tijdens de officiële opening van het Harvard University Asia Institute tijdens de eerste week van maart. Terwijl het IIAS een landelijk postdoc-instituut is, is Harvards Asia Institute natuurlijk een universitaire instelling die geacht wordt zich te ontfermen over zowel onderzoek als onderwijs, en omdat Harvard een privé-instelling is moest het programma van de opening niet alleen rekening houden met de wensen van staf en studenten maar ook met de noden van mogelijke sponsors. Voor studenten waren er films van 'Asian-American' regisseurs, en voor de staf waren er wetenschappelijke discussies. De mogelijke sponsors werden gelokt met analyses van en oplossingen voor de economische crisis in Azië.

Voor de officiële openingsconferentie was als attractie bij het diner Walter Mondale (net terug van zijn onderhoud met Soeharto) aangetrokken, terwijl na de lunch vertegenwoordigers van de directie van Toyota en Mitsubishi al hun visie hadden mogen geven. Nadat men zich als eenvoudige literatuurhistoricus dapper heeft laten verpletteren door de optimistische beschouwingen van dergelijke zwaargewichten, bedenkt men dankbaar dat iedere conferentie ook zijn wandelgangen kent en dat de daar gelegde contacten ongetwijfeld concretere resultaten zullen opleveren.

Evenals bij de oprichting van de IIAS waren ook in Harvard binnenskamers de nodige kritische geluiden te horen naar aanleiding van de oprichting van het Asia Institute. Is Azië wel een zinvolle eenheid van onderzoek? De wetenschappelijke werkelijkheid is dat het al moeilijk genoeg is om zich in te werken in de taal en cultuur van een van de vele Aziatische regio's, en dat de specialisatie naar discipline en periode onvermijdelijk steeds verder voortschrijdt. De tijd van de alwetende goeroes als Snouck Hurgronje is nu eenmaal voorgoed voorbij. En wanneer men zich wil specialiseren in comparatief onderzoek, of het nu de koloniale geschiedenis betreft of de huidige monetaire crisis, is er zelden een dringende reden om zich te beperken tot Azië, zeker niet als Azië ook nog een beperkt wordt tot Zuid-, Zuidoost- en Oost-Azië, zoals in Harvard en in het IIAS.

Het enige element dat deze drie Aziatische subregio's bindt is misschien wel het boeddhisme. Maar terwijl het boeddhisme in sommige gebieden een springlevend geloof is, is het in andere landen niet meer dan een vrijwel volledig vergeten fase in een ver verleden, mogelijk van belang voor de toeristenindustrie maar verder interessanter voor de buitenlandse oriëntalist dan voor de plaatselijke bevolking. De boeddhologen hebben echter al sinds jaar en dag hun dwarsverbanden (al maken ze natuurlijk dankbaar gebruik van de mogelijkheden die hun door Azië-instituten worden geboden). Boeddhologen worden echter zelden als voorbeeld genomen wanneer de oprichting van een Azië-instituut wordt bepleit. Wereldverzaking is wel het laatste wat de beleidsmakers motiveert.

Ook in een intellectueel bastion als Harvard is het groeiende belang van Azië in de wereldeconomie de belangrijkste reden om het onderzoek en onderwijs op het terrein van Azië uit te breiden. De voorlichtingsbrochure omschrijft de motivering als volgt: “De groei van de Aziatische economieën en hun wereldwijde invloed verandert hun onderlinge verhoudingen, en de verhoudingen tussen Azië en de rest van de wereld. Het heeft ook ons gedwongen om de Aziatische culturen en hun wederzijdse verbanden opnieuw in ogenschouw te nemen.” Natuurlijk realiseert men zich dat zulk onderzoek slechts plaats kan vinden in nauwe samenwerking met onderzoekers in Azië zelf: “De uitdaging voor Aziaten en Amerikanen is om deze processen en hun betekenis gezamenlijk te bestuderen.”

Ieder nieuw instituut moet natuurlijk braaf verklaren dat het voortbouwt op de bestaande deskundigheid en de aanwezige voorzieningen slechts wil versterken. Het Azië Instituut van Harvard hoopt vanzelfsprekend de onderlinge samenwerking tussen staf en studenten in de verschillende reeds bestaande programma's te versterken, en de samenwerking tussen onderzoekers in Amerika en in Azië, maar meer concreet wil het toch vooral de studie van de internationale betrekkingen in Azië stimuleren en vergelijkende studie van verschillende landen in Azië bevorderen. Deze aandacht voor de hedendaagse internationale betrekkingen in Azië blijkt ook uit de verschillende concrete initiatieven die inmiddels zijn genomen.

De oprichting van een nieuw instituut is altijd de aanleiding om een tableau de la troupe te presenteren. In de eerste plaats valt op dat zeker in Harvard het onderzoek en de overige voorzieningen overwegend gericht zijn op Oost-Azië (Men spreekt dan ook de nadrukkelijke wens uit om het onderzoek en onderwijs op het terrein van Zuid- en Zuidoost-Azië uit de breiden). In Nederland krijgt in verhouding de studie van Zuidoost-Azië en Zuid-Azië een veel grotere aandacht. Daarvoor zijn natuurlijk 'goede' historische redenen, maar misschien spelen institutionele factoren toch ook een rol. Zoals bekend maakt het Amerikaanse universitaire systeem op alle niveaus de combinatie van vakken veel gemakkelijker dan in Nederland. Bovendien gaat het onderwijs na het B.A. nog jaren door in het Master's program en het Ph.D. program, zodat het voor toekomstige sociologen, economen en juristen met belangstelling voor China, Korea of Japan veel gemakkelijker is in het kader van hun opleiding de tijd te vinden om de taal te leren en zich vertrouwd te maken met de betrokken cultuur. In Nederland is dat in feite in de afgelopen jaren alleen maar moeilijker geworden door de groeiende druk om toch vooral snel te studeren en te promoveren.

Dat leidt dan tot een tweede aspect waarin de Aziatische studies in Harvard verschillen van die in Nederland. In Nederland zijn de Aziatische studies nog altijd overwegend het domein van kleine hooggespecialiseerde groepen in de literaire en sociale faculteiten en gaapt er een brede kloof tussen 'oriëntalisten' en 'westerlingen'. Nu zal ik de laatste zijn om het belang van mijn gastheren tijdens dit semester, de Department of East Languages and Civilizations, te onderschatten, maar het is opvallend te zien hoeveel samenwerkingsprojecten er bestaan van andere onderdelen van de universiteit en uiteenlopende instanties in de verschillende landen van Azië. In Harvard vallen vooral de activiteiten op van de Graduate School of Design, de Harvard Graduate School of Education, de Harvard Institute for International Development, de Harvard Law School, de Harvard Medical School, de Harvard School of Public Health, en de John F. Kennedy School of Government. Hier heeft men blijkbaar al jaren voor de oprichting van een Azië-instituut begrepen dat Azië te belangrijk is om uitsluitend over te laten aan de aparte kaste van 'oriëntalisten'. Wij in Nederland hebben dan misschien wel al enkele jaren ons IIAS, maar de uitdaging om Azië een normaal integrerend onderdeel van onderwijs en onderzoek te laten uitmaken in het gehele scala van de geestes- en gedragswetenschappen moet nog worden opgenomen.

Een van de onderdelen van het programma van de opening van het Asia Institute was de vertoning van Wayne Wangs nieuwste film Chinese Box, het verhaal van de gedoemde liefde van een Britse journalist (Jeremy Irons) voor een jonge vrouw uit Peking (Gong Li), die in Hongkong haar eigen bar begint met steun van een rijke Chinese zakenman. Terwijl de journalist gesloopt wordt door leukemie, verbreekt de jonge vrouw de banden met haar louche beschermheer om geheel alleen vol zelfvertrouwen haar eigen weg te gaan. Suzie Wong hoeft niet meer gered te worden door een nobele ridder van overzee. Wangs film is een fabel over de overdracht van Hongkong, maar ook, in ruimere zin, over het definitieve einde van de westerse hegemonie in Azië en over het gebrek aan begrip tussen culturen.

Cliché of niet, de verschillende landen van Azië zullen in de komende eeuw hun eigen gang gaan, en de ontwikkelingen in Azië zullen van steeds grotere invloed worden in de gehele wereld. Als ons onderzoek van Azië op enigerlei wijze recht wil doen aan het belang van Azië hebben we nog een lange weg te gaan. De oprichting van een Azië-instituut is dan geen eindpunt, hoogstens een schoorvoetend begin.