Athene wil een wijze rol spelen op de Balkan

Jarenlang heeft Athene solidariteit aan de dag gelegd voor de Servische zaak in ex-Joegoslavië en het de kleine buren Macedonië en Albanië lastig gemaakt. Nu tekent zich een kentering af.

ATHENE, 21 MAART. De Griekse minister van Defensie Tsochatzópoulos is gisteren met zijn bezoekende Bulgaarse collega Jorgo Ananijev overeengekomen volgende maand op de Balkanconferentie van ministers van Defensie in Tirana nader te overleggen over het plan, een Balkanbrigade voor snelle interventie te vormen die kan ingrijpen in externe zowel als interne geschillen, al dan niet in de context van vredesoperaties van de NAVO en de WEU (West-Europese Unie).

Dit plan werd deze week in principe aanvaard op een conferentie van militaire experts uit Turkije, Roemenië, Bulgarije, Macedonië en Albanië, die in Ankara werd gehouden en waarbij Griekenland verrassenderwijze niet was betrokken. Dit veroorzaakte enige consternatie in Athene, dat pretendeert een steeds sterkere rol op de Balkan te spelen. Er werd hier ook met scheve ogen gekeken naar de Verenigde Staten die samen met Slovenië als waarnemer in Ankara aanwezig waren en die achter de schermen de conferentie zouden hebben geïnspireerd.

Het passeren van Athene werkte hier des te fnuikender omdat Griekenland de laatste dagen grote diplomatieke activiteit ten toon had gespreid. Binnen ruim één week heeft Athene de Albanese president Rexhep Meidani en de Hongaarse premier Gyula Horn ontvangen en heeft premier Simitis Praag bezocht. Griekenland wil zijn prestige op de Balkan en in de rest van Oost-Europa onderstrepen en streeft daartoe een politiek van gelijke afstanden na.

Tijdens het bezoek van Meidani viel op hoeveel respect Athene nu aan de dag legt voor de Albanese sentimenten in Kosovo. Iets dergelijks zou een aantal jaren geleden nog ondenkbaar zijn geweest. Weliswaar is het 'bondgenootschappelijk gevoel' voor de orthodoxe Servie nog niet geheel verdwenen, maar de verbetering in de betrekkingen met Tirana houdt gelijke tred met een kritischer opstelling ten opzichte van de Serviërs die niet meer zo vaak 'broedervolk' worden genoemd als vijf, zes jaar geleden.

Op de Griekse televisie ziet men nu beelden van de ellende, veroorzaakt door Servisch geweld, beelden die in de oorlog in Kroatë en Bosnië eigenlijk nooit op het scherm kwamen. En dat de Joegoslavische crisis in 1989 met het Servische optreden tegen Kosovo is begonnen, begint nu pas tot de Grieken door te dringen. Een aantal jaren geleden waren zowat alle Grieken er nog heilig van overtuigd dat de opdeling van Joegoslavië het werk was van de vuige Duitse diplomatie.

Weliswaar verzekerde de Griekse minister van Buitenlandse Zaken, Theodoros Pangalos, recentelijk in Belgrado dat alle grenzen moesten worden gerespecteerd en dat elke vorm van gewapende opstand viel af te keuren maar hij kwam ook op voor de mensenrechten en betoogde met meer nadruk dan vroeger dat Kosovo recht heeft op autonomie.

Voor een 'vergaande' autonomie binnen Joegoslavië is zelfs gepleit in de verklaring die op Bulgaars initiatief is opgesteld door Turkije, Roemenië, Griekenland, Bulgarije en de voormalige Joegoslavische republiek Macedonië, die hier, afgekort, FYROM blijft heten. Die verklaring, waarin ook wordt aangedrongen op een Servisch-Albanese dialoog, is in nóg twee opzichten merkwaardig. Voor het eerst sinds lange tijd hebben Turkije en Griekenland handtekeningen gezet onder één en hetzelfde document. En Macedonië is er op speciaal Grieks verzoek als vijfde bijgehaald, nadat nog enkele jaren geleden de betrekkingen tussen beide landen om te snijden waren, doordat Athene de naam Macedonië niet erkende.

Dat doet het nog steeds niet, maar de kwestie is niet brandend meer. In New York wordt al jaren onderhandeld over de naam. Maar dit krijgt steeds meer ceremoniële betekenis. Athene is officieus niet meer tegen een samengestelde naam waarin de term Macedonië is vervat. De regeringswoordvoerder in Athene, Dimitris Reppas, boekte onlangs opzien door plotseling en langs zijn neus weg te reppen van de 'Republiek Macedonië-Skopje'. Er stak in Athene een stormpje op, maar hij verontschuldigde zich de volgende dag door te zeggen dat dingen veranderen als je erbij lacht. De Macedonische onderminister van Buitenlandse Zaken Malevski kreeg, op bezoek in Athene, van zijn Griekse evenknie Jorgos Papandreou te horen dat hij kon rekenen op zijn steun als Skopje een aanvraag zou indienen voor toetreding tot de EU.

Het zijn allemaal tekenen dat de Griekse buitenlandse politiek inzake de Balkan aan het veranderen is. Athene wil niet meer zelf partij zijn in deze regio, maar een wijze, vaderlijke rol spelen. De woede jegens Skopje en de broederlijke liefde jegens Belgrado die vroeger hoogtij vierden, zijn verdwenen. En de verhouding tot Albanië wordt niet meer bepaald door het lot van de Griekse minderheid in dat land.

De Griekse opstelling is nu niet meer langer betrokkenheid, maar juist 'onttrokkenheid'. Het liefst zou Athene zien dat de dialoog met de Albanezen, nu van Belgrado verwacht, op Grieks grondgebied zou plaatsvinden, zoals reeds begin november de Joegoslavische president MiloviEÉc en de Albanese premier Nano elkaar tijdens de Balkanconferentie op Kreta ontmoetten, nadat er veertig jaar geen contact was geweest tussen de leiders van beide volken.

De verklaring van de vijf Balkanlanden is onder Amerikaanse druk tot stand gekomen. Athene's houding jegens de Verenigde Staten blijft echter ambivalent. “Ik kom hier niet als agent van de Amerikanen”, zei Pangalos geruststellend tijdens zijn recente bezoek aan Belgrado, een uitlating die in Washington de nodige wrevel heeft gewekt. Het valt ook niet aan te nemen dat Athene zich zal lenen voor medewerking aan het laatste middel tegen Belgrado: sancties. Daarvoor is er toch nog te veel overgebleven van de oude solidariteit. Ook mag men niet uitvlakken dat de Griekse investeringen in Servië - onder andere metaal en telecommunicatie - de laatste paar jaar enorm zijn toegenomen, nog sneller dan die in Albanië.