13.000 slechte leraren; RAMPZALIG ENGELAND

HET ERGSTE DAT een leraar een kind kan aandoen, is weinig van hem verwachten, vindt Chris Woodhead, het hoofd van de Engelse onderwijsinspectie OFSTED. En zo is het ook “rampzalig” als een land lage verwachtingen heeft van leraren en scholen.

Tijdens een bezoek aan zijn Nederlandse collega's deze week, liet oud-leraar Woodhead er geen misverstand over bestaan: je moet álle scholen meten met één maat, zoals in Engeland, en geen excuses aanvaarden van falende leraren. “Ook kinderen in de meest deprimerende achterstandsbuurten hebben recht op goed onderwijs.” De Nederlandse Onderwijsinspectie is gefascineerd door de kruistocht die Woodhead sinds vier jaar voert tegen falende staatsscholen in Engeland, eerst namens de Conservatieven en nu onder New Labour. Toch zal de Inspectie de Engelse werkwijze - landelijke vergelijking van álle schoolresultaten - nog niet overnemen, zo bleek deze week. Ze zal scholen hier vanaf september indelen in aparte categoriën om “onbillijke vergelijkingen” te voorkomen. Volgens staatssecretaris Netelenbos (Onderwijs, PvdA) en het CDA zou de overheid scholen in probleemwijken anders onrecht aandoen.

Niets is minder waar, vindt Woodhead. “Scholen in achterstandsbuurten hebben een zwaardere taak dan scholen in rijke gemeenschappen, maar er zijn 'achterstandsscholen' die prachtige prestaties leveren. Als zíj het kunnen, kan elke school het. Je moet de norm nooit verlagen, maar de lessen verbeteren.”

Wat hier nog ondenkbaar is, doet OFSTED sinds 1993: inspectie-teams lichten elke middelbare en basisschool een week lang door. De eerste rapporten over alle 24.000 scholen zijn al openbaar gemaakt. Critici noemen het de name and shame policy. Maar dat beleid is nodig, vindt Woodhead, want te veel leraren blijken slecht les te geven of ze verwaarlozen de “essentiële” vakken lezen en rekenen - ten gunste van “kind-centrische jaren-zestig-noties over individuele creativiteit”. Te veel Engelse 11-jarigen - 40 procent - hebben aldus het leesniveau van een acht- tot tienjarige. “Zonder redelijke taalbeheersing kan niemand zich redden in de moderne samenleving, laat staan geschiedenis of zelfs muziek waarderen”, zegt Woodhead. “Je kansen op goed onderwijs in Engeland, zijn even groot als in een loterij.”

Een greep uit de feiten: 720 scholen kregen het predikaat 'falende school'. de meeste staan onder curatele van de lokale onderwijs autoriteiten (de gemeente),een handjevol is gesloten, 2.400 scholen zijn 'zorgelijk', 3.000 schoolleiders blijken slecht te functioneren, zijn ook met naam en toenaam genoemd. Ze tonen volgens OFSTED geen leiderschap, organisatietalent of onderwijsvisie.

Naast de inspectie-rapporten publiceren ook Engelse kranten landelijke ranglijsten op grond van de toets- en eindexamenresultaten van basis- en middelbare scholen. In het 'nationale curriculum' ligt vast waarop kinderen op hun zevende, elfde, veertiende en zestiende worden getoetst. Woodhead: “Kranten rangschikken de cijfers, maar wij beoordelen de leraren: of ze erin slagen om orde te houden, kennis over te dragen en het allerbelangrijkste: leerlingen te inspireren. Want je kunt talloze verzachtende omstandigheden aanvoeren, zoals geldgebrek, ongemotiveerde leerlingen of achterstanden thuis, maar hóe leraren de stof overdragen, blijft het belangrijkste criterium voor kwaliteit.”

Zijn uitgesprokenheid heeft Woodhead veel vijanden opgeleverd. Onderwijsbonden en schoolleiders noemen de schijnwerpers die hij op zwakke scholen richt destructief. Tijdens zijn bezoek in Den Haag zet het Engelse onderwijs-establishment de aanvallen op hem voort. Channel 4 zendt een documentaire uit waarin scholen en professoren zijn inspectie-teams onbetrouwbaarheid en onprofessionaliteit verwijten. Maar Woodhead is onverstoorbaar: “Ik geloof in onze werkwijze. Leraren mogen zich niet langer verstoppen in onze scholen. We móeten laten zien hoe ze lesgeven aan onze kinderen. We moeten de goede belonen en de slechte kritiseren. Dertienduizend leraren geven slecht les!”

Bovendien, zegt Woodhead, krijgt hij maanden na een inspectie, als het stof is gedaald, vaak een brief van gekritiseerde scholen. “Ze erkennen dat de inspectie gevoelige plekken heeft ontbloot en zeggen: 'bedankt, wij zijn nu op de goede weg'. Mensen in elke organisatie raken geconditioneerd - ze kunnen hun werk en normen niet meer objectief bekijken. Daarvoor moet een buitenstaander langskomen.” En droogjes voegt hij eraan toe: “Tot 1993 hadden basisscholen de kans om één keer in de 250 jaar bezoek te krijgen van de inspectie. Scholen waren hidden zones.”

Toch schuilen er gevaren in de OFSTED-methode, erkent Woodhead. “De Labour-regering vreest dat scholen te selectief worden bij de poort.” Om hoog te scoren, zouden ze uitsluitend kansrijke kinderen toelaten. De regering wil scholen verplichten om lege plekken te vullen met de eerste kandidaat.

Daarnaast moet een ranglijst ook de effectiviteit van een school aangeven, vindt hij: de school die zwakke leerlingen binnenkrijgt, maar hen toch op een redelijk niveau brengt, is even goed als de school waar elite-kinderen hoge resultaten halen. “We hadden een school in Nottingham aangemerkt als 'falende' school, omdat maar 4 procent van de leerlingen het eindexamen redelijk afrondde. Dat is door grote inspanningen van leraren nu opgeschroefd tot 10 procent. Fantastisch! Die krijgt nu het predikaat: goede school.”