Verlanglijstje

Dat beeld in de verte is net opgeknapt. Geen barst in de arm, geen vogelpoep, het is weer helemaal wit. Al eeuwen staat het in de tuin. Het is een voorouder van de grafelijke familie die het kasteel nog altijd bewoont.

Denk niet dat ze geld zat hebben. Het kasteel is voor een deel in een museum veranderd en daar worden de bezoekers rondgeleid. Er is veel te bewonderen. Portretten van voorvaderen met zo'n grote kanten kraag, een paar harnassen, een geheime schuilplaats achter een wand die je kunt bewegen.

Hier zie je een jonge gravin. Niet de jonge gravin, ze heeft twee oudere zusters. Die pop heeft ze net van haar moeder gekregen. Ze zagen het manneke met het ragebolhaar bij een winkel die in oud speelgoed handelt en ze zei meteen: “Díe.” Hij zag er zo in de steek gelaten uit.

De twee poezen kreeg ze van haar vader, dat springende wit kleurde zo leuk bij het bruine tapijt. En voor de rest van de geschenken kijken we even op haar verlanglijst: “een jurk net als me zus, ook van die laarzen, maskara, de goede rouge, niet die te bleke, het schilderijtje met die bloemen van oma.”

Alles meteen opgehangen, aangetrokken, opgedaan. Dan bedenkt de jarige wat ze nog meer van haar ouders heeft gekregen, haar armen en benen, haar hele lijf. Ze legt de pop voorzichtig op een stoel. Als de katten er nou maar niet bovenop springen. In cadeautjes gekleed loopt ze naar de hal.

“Dat litteken op het voorhoofd”, zegt haar vader tegen vijf bezoekers, “ontstond na een bloedstollend gevecht.” En hij wijst naar het portret van een man met een puntbaard.

Altijd weer dat litteken. De jonge gravin gaat de tuin in en strijkt met een hand langs de benen, de billen en de heupen van het beeld. Dat doet ze zo vaak. Haar moeder heeft verteld dat ze uit deze vrouw is voortgekomen. Dan rilt de jonge gravin over haar hele huid. Ze wil het niet denken en toch denkt ze het, steeds weer, dat ze eens, net als dit verre familielid, van heel oud steen zal zijn.