Van Gogh wekt nu wantrouwen; Gesprek met Van Gogh Museum-directeur John Leighton

De Engelse kunsthistoricus John Leighton was nog maar net aangetreden als directeur van het Van Gogh Museum toen de discussie over de 'valse Van Goghs' losbarstte. Daarbij kreeg ook zijn museum kritiek te verwerken. “Toen ik die publicaties las, kreeg ik de indruk dat een aantal genotzuchtige mensen wat punten wilde scoren”.

Beeldende kunst wordt in brede kring pas echt interessant als een werk gestolen, vervalst of voor een Alpen-hoog bedrag verkocht is. Menigeen neemt dergelijke berichten graag tot zich. En nog liever leest men dat er een vermogen voor een authentieke vervalsing is betaald. Want behalve sensatie biedt zo'n miskoop nogal wat leedvermaak.

De afgelopen tijd leek het Japanse verzekeringsconcern Yasuda van zo'n malafide transactie de dupe te zijn geworden. Het kocht in 1987 voor zo'n zeventig miljoen gulden een Zonnebloemen-stilleven van Vincent van Gogh (1853-1890). Uit tevredenheid, zo kan men aannemen, kreeg het Van Gogh Museum daarna van de oud-Yasuda-president Goto, die in Vincent zijn persoonlijke talisman herkende, de 37 miljoen gulden cadeau om zijn uitbreiding te bekostigen. Een half-ovaalvormig gebouw, naar ontwerp van Kisho Kurokawa dat zich nu in de modderpoel die het Museumplein is, al scherp aftekent. Na de oplevering, in september aanstaande, moet het beton nog drogen en het interieur worden aangebracht. In mei 1999 worden zowel oud- als nieuwbouw opengesteld voor het publiek.

Dat Zonnebloemen-stilleven, even het kostbaarste schilderij ter wereld, deugt niet, beweren sommige Van Gogh-experts en -liefhebbers. Niet Van Gogh, maar Emile Schuffenecker was de maker. Die verbitterde, kleine Franse meester nam tijdens de restauratie van een échte Van Gogh ruim de tijd om de Japanse versie bij elkaar te penselen.

De vooraanstaande kunsthistoricus Jan Hulsker uitte in januari jongstleden in deze krant zijn wantrouwen over veel meer dan dat ene doek. Hij plaatst vraagtekens bij 47 schilderijen en tekeningen van Van Gogh. Ook het Yasuda-stilleven acht hij omstreden. En Hulsker kan het weten - na veertig jaar studie van Van Goghs oeuvre en brieven, na de publicatie van tien boeken over deze kunstenaar en na de samenstelling van een standaardwerk: de catalogue raisonné.

“De media realiseren zich het effect niet van zulke vervalsingsberichten”, zegt John Leighton (39), directeur van het Van Gogh Museum in Amsterdam. “Talloze mensen vragen nu aan de museumbalie wat echt of vals is en of hier de echte of de valse Zonnebloemen hangen. Men is verward en kan niet meer kijken zonder wantrouwen in het achterhoofd. En dat is jammer.

“Blijkbaar dringen ook de nuances niet tot het grote publiek door. Men leest kranten, maar blijkbaar liever niet wat een deskundig kunsthistorisch tijdschrift als het Burlington Magazine meldt. Daarin wordt juist stevig onderbouwd op basis van de brieven en technologisch onderzoek van de drager de echtheid van de Japanse Zonnebloemen helder en gedetailleerd aangetoond.

“De televisie maakt het nog bonter. Bij Channel 4-opnamen in dit museum voor een documentaire over dat onderwerp werden onze conservatoren uitgebreid geïnterviewd. Er kwam geen woord van hen in de film terecht. Het lange gesprek dat ik met de filmmakers voerde, werd gereduceerd tot dertig seconden. Zonder enige context ziet men mij beweren 'dat ik het ook niet weet'. Televisie is sensatie, desnoods zonder bewijzen. Een fatsoenlijk artikel met een volgbare argumentatie heeft blijkbaar minder waarde, zoals ook de pers niet wil wachten op de uitkomst van een vijfjarig onderzoek. Men wil het allemaal meteen weten - snel en nu.”

Levenslust

De Brit Leighton, voormalig conservator van de National Gallery in Londen, volgde een jaar geleden Ronald de Leeuw op. Zijn kamer in de nabije 'Van Gogh-villa' is strak en vooral zwart ingericht. Hij wacht nog op een twee meter breed zonnebloemenschilderij van Erik Andriesse (1957-1993), een schilder die in kleur de levenslust en in vorm de vergankelijkheid meeslepend wist te verbeelden. “Maar een doek aan de wand heeft een lage prioriteit vergeleken met alles wat hier gaande is”, zegt Leighton.

Op een bewonderenswaardige manier beheerst hij inmiddels het Nederlands. Tot vijf uur 's middags geldt een zelfopgelegd verbod op het Engels. Hoe bedachtzaam er ook gesproken wordt, de 'r' wil nog niet rollen en 'een' wordt consequent als 'één' uitgesproken. Zijn jonge kinderen vinden zijn accent vooralsnog 'pijnlijk'. Ter illustratie daarvan imiteert hij zijn kroost door ineengedoken, als getroffen door een maagstomp, met zijn handen naar zijn oren te grijpen.

Ons gesprek gaat aanvankelijk over de nieuwbouw en de ingrijpende verbouwing van het bestaande museum, waar in de kelder een ongekende ravage van afbraak en doorbraak heerst. Die uitbreiding gaat Leighton zichtbaar meer ter harte dan de twijfel over toeschrijvingen. Hij tekent hoe de bezoeker straks via een achttien meter lange roltrap vanuit het bestaande gebouw de halve ovaal betreedt, hoe hij in een boog de drie etages zal bestijgen voor een schitterend uitzicht over 'bijvoorbeeld het dak van het Stedelijk Museum' en hoe glazig de nieuwe kantoorvleugel zal ogen, eenmaal aan het oude gebouw geplakt.

De afgeschermde daklichten in datzelfde oude gebouw, die als schaduw nu nog 'zebra's' op vloeren en wanden werpen, moeten zonafwerend glas krijgen. Maar wat voor licht laat dat glas door? Een andere beslissing is het wit van de muren. Hoe wit moet dat wit zijn? En dan zijn er nog de tentoonstellingen in de nieuwbouw, die het moeten gaan stellen zonder de directe steun van de vaste Van Gogh-collectie, waar jaarlijks een miljoen mensen op afkomen. In mei 1999 opent het totale complex met een portret van Theo, Vincents broer en toeverlaat, zijn handelaar en mecenas. Zonder Theo geen Vincent, vertellen de brieven. Straks wordt hij geportretteerd als handelaar en verzamelaar, met documenten als zijn adressenboekje en kunstenaarsbrieven, met familie-documenten, zoals de correspondentie met Vincent, en met ensembles van de door hem verhandelde schilderijen, zoals die van de (post)-impressionisten en de School van Barbizon. En natuurlijk hangen er ook Van Goghs, die hij af en toe van zijn broer cadeau kreeg.

Verdrietig

Uiteindelijk laat Leighton het gesprek in de richting van de vermeende vervalsingen drijven. Het Van Gogh Museum reageerde in het verleden nooit uit eigener beweging op dergelijke berichten in de internationale kranten en vakpers. Behalve de 'Japanse' Zonnebloemen zouden nog honderd andere werken 'verdacht' zijn, aldus Geraldine Norman in The New York Review of Books van februari jongstleden. In Frankrijk werd eerder het tot dan toe geprezen schilderij Tuin in Auvers als vervalsing genoteerd; de Franse staat moest voor dit beschermd cultuurgoed, dat een particulier wenste te verkopen, niettemin vele miljoenen betalen. De Arlésienne van het Musée d'Orsay in Parijs zou ook een 'fake' zijn.

Het hield niet op. De Franse Van Gogh-kenner Benoit Landais zette uiteen waarom De tuin van de inrichting, een verdrietig, bruin schilderij in bezit van het Van Gogh Museum, niet door Vincent kan zijn geschilderd. Afgezien van ondeugdelijke details en een gebrek aan bewijsvoering in Vincents brieven, wilde de schilder destijds zijn familie die 'zichtbare' ellende van de inrichting ongetwijfeld besparen, meent Landais.

Louis van Tilborgh, conservator schilderijen van het Van Gogh Museum diende in deze krant Hulsker, Landais en anderen van repliek: men stelt zich tevreden met het bekijken van reprodukties, en daarop is de zo belangrijke Van Gogh-toets niet goed te zien, aldus Van Tilborgh. Ook op de brieven dient men bij de vaststelling van authenticiteit niet blind te varen; ze zijn incompleet en vormen geen logboek. Bij toeschrijvingen draait alles om het tastbare schilderij.

“Toen ik die eerste publicaties las, kreeg ik de indruk dat een aantal genotzuchtige mensen wat punten wilde scoren”, zegt Leighton. “Ik neem aan dat de lezer zich bij die gedetailleerde artikelen buitengesloten heeft gevoeld. Daarom wil ik het publiek er bij gaan betrekken. En ik wil ook meer tijd en ruimte geven aan onze experts, die er voortdurend over worden lastiggevallen. Vorig jaar hebben de media zo vaak een beroep op hen gedaan, dat ik 'stop' heb gezegd. Want laat ik duidelijk zijn: dit museum is geen platform voor allen die onderzoek doen naar Vincent van Gogh.”

Waarom zwijgt het museum zo vaak en waarom stelt het zich zo afwijzend, zo arrogant op? Binnen- en buitenlandse onderzoekers krijgen geen antwoord op brieven of geen inzage in bepaalde stukken en op buitenlandse vragen over authenticiteit wordt niet gereageerd.

“Ik kan niets zeggen over wat hier jaren geleden gebeurde. Ik kan alleen uitleggen hoe het er nu aan toegaat. Het archief is publiekelijk toegankelijk voor iedereen en we doen ons best om de jaarlijks vele honderden brieven met een verzoek om expertise, met adviezen en met informatie, te beantwoorden. Sommige van die antwoorden vergen uren onderzoek, terwijl hier één conservator schilderijen en één conservator tekeningen plus twee assistenten werken. Desondanks krijgt iedere briefschrijver een ontvangstbevestiging, waarin een termijn van antwoord is opgenomen. Maar ik wil wèl dat er bij onze conservatoren een balans bestaat tussen de inspanningen voor het museum en die voor de buitenwacht.

“Méér geld of meer mensen is in dit verband niet de oplossing. Men dient goed in Van Goghs oeuvre ingewerkt te zijn. Onze relatief jonge conservatoren hebben al tien jaar kijken en studie achter de rug. Conservator Louis van Tilborgh heb ik net een 'sabbatical' periode gegeven om vaart te kunnen zetten achter het eerste van de drie delen over ons schilderijenbezit.

“Er komen trouwens veel mensen naar onze bibliotheek. Tot voor kort was het archief niet volledig beschikbaar. De laatste stukken van de Van Gogh-familiedocumenten zijn pas vorig jaar in beheer van dit museum overgegaan. We maken ze nu via de computer toegankelijk en we publiceren er delen uit, zoals de correspondentie tussen Vincents broer Theo en diens vrouw Johanna van Gogh-Bonger. Even na het jaar 2000 zullen alle dan geannoteerde brieven van Vincent verschijnen en eind 1999 wordt het kasboek van Johanna uitgegeven.”

Leighton geeft toe dat musea zich de wereldwijde publicaties over de mogelijke vervalsingen wel degelijk hebben aangetrokken. In september 1999 toont het Van Gogh een expositie die gemaakt is in samenwerking met het Musée d'Orsay in Parijs, gewijd aan Paul Gachet, de zoon van de Parijzenaar Dr. Gachet. “Al dat lawaai in Frankrijk over De Tuin van Auvers” is de aanleiding tot dit overzicht, aldus Leighton.

De homeopathische arts en schilder Gachet, die in het Zuidfranse Auvers een volgestouwde uitdragerij bewoonde, stond Van Gogh in de laatste maanden van zijn leven bij. Vincent hield wel van die gekke dokter. Zoon Paul Gachet imiteerde de excentrieke, geïsoleerde levenswijze van zijn vader. En samen met zijn getalenteerde kindermeisje Blanche kreeg hij uitgebreid schilderles van pa.

Fantast

Paul Gachet junior geniet nu - na zijn royale schenkingen aan Franse musea - vooral de reputatie van een grootschalig vervalser, zoals sommige experts al langere tijd beweren. Tussen zijn schenkingen, gedaan aan onder meer het Louvre en het Musée de Lille, zaten een schitterende Sisley, maar ook kopieën van onder anderen Courbet, Cézanne, Pissarro en, natuurlijk, Van Gogh. Onduidelijk is nog steeds of de getalenteerde Blanche zich in het kopiëren heeft bekwaamd, of dat zoonlief, de rommelaar en fantast, de musea een loer wilde draaien.

“Vroeger speelden Gachet senior en juniour een heldenrol, nu een hoofdrol in deze vervalsingskwesties”, aldus Leighton. “Dit museum bezit een Cézanne-kopie uit de kring van Gachet. Laat ik voorzichtig zeggen dat dat geen goed kunstwerk is, eerder een soort souvenir. We stellen straks dergelijke souvenirs en objecten tentoon alsook de Van Gogh-zelfportretten, het schilderij De kerk in Auvers en ander belangrijke doeken van Van Gogh. Over het schilderij De tuin van de inrichting uit onze collectie, dat Landais omschreef als een kopie, had destijds de ingenieur (V.W. van Gogh, zoon van Theo en voormalig beheerder van de nalatenschappen, red.) al zijn twijfels. Rondom dit doek maken we een afzonderlijke presentatie - met bewijzen en argumenten. Op zo'n manier hopen we het publiek dichter bij schilderijen te betrekken.”

Wat doet dat publiek terzake als u en conservator Louis van Tilborgh juist het belang van het kennersoog zo accentueren? Vincents brieven, verfmonsters en röntgenonderzoek; uiteindelijk schijnt toch dat connoisseurschap de doorslag te geven.

“Een juiste toeschrijving is inderdaad een combinatie van historische kennis, techniek en de ervaring van een kunsthistoricus die, zoals Van Tilborgh, negenhonderd schilderijen al nauwkeurig heeft bekeken. Dat connoisseurschap raakt steeds meer naar de achtergrond, terwijl er teveel gewicht wordt gegeven aan beperkte aspecten van onderzoek, zoals aan de brieven of aan details op de doeken.

“Zowel enthousiaste amateurs als kunsthistorici maken zich daaraan schuldig. Dat neemt niet weg dat er altijd strijd zal blijven tussen mensen die op een bepaald gebied ergens nauw bij betrokken zijn. Ikzelf hecht er aan zoveel mogelijk afstand bewaren. Jan Hulsker, Benoit Landais of wie dan ook: een ieder krijgt hier dezelfde behandeling. Wij proberen te helpen, te discussiëren en zinvol te argumenteren. Als bijvoorbeeld Hulsker een bijdrage wil leveren aan ons jaarboek is hij van harte welkom.

Waarom stelt u geen chronologisch, systematisch onderzoek in naar de Van Goghs?

“Het Rembrandt Research Project is voor het oeuvre van Van Gogh geen bruikbaar model. Er is al zoveel over Vincent bekend en het gaat eigenlijk maar om een beperkt aantal twijfelachtige schilderijen. Maar omdat nu blijkt dat niemand het daarover met elkaar eens is, ga ik streven naar een sfeer waarin men gezamenlijk om de tafel gaat zitten. Daarom komt er in mei aanstaande in de National Gallery in Londen een breedopgezet Van Gogh-symposium met bijzondere aandacht voor de authenticiteit. De kans dat daarbij ook de drie versies van dat ene Zonnebloemen-stilleven te zien zijn, is klein. De conditie van het Japanse doek is niet optimaal en dat geldt trouwens ook voor de versie die de National Gallery bezit.”

Het Van Gogh Museum ziet zich genoodzaakt om de Japanse Zonnebloemen aan Van Gogh toe te schrijven, zo denken velen, omdat het zoveel geld aan de eigenaar Yasuda te danken heeft.

“Dat is een zeer cynisch standpunt, met andere woorden: alles is te koop, dus ook een deskundige mening. Conservatoren vinden zo'n gedachte schandalig. Ze willen een werk zo objectief mogelijk en met een 'open mind' bestuderen. En ik verzeker u: Yasuda heeft op ons geen enkele druk uitgeoefend.”

Als de technologie bij schilderkunstig onderzoek zo ver is voortgeschreden dat de drager en elke onderlaag door chemische analyses, infra-rood en wat dies meer zij 'transparant' kan worden, wat staat dan een juiste toeschrijving nog in de weg?

“Inderdaad, aan die vorm van onderzoek moeten we veel meer gaan doen. Evenals andere musea zitten ook wij wat dat betreft nog in een vroeg stadium. Maar laten we niet vergeten dat zo'n onderzoek alleen zin heeft als je wereldwijd schilderijen kunt vergelijken en als je over een uitgebreide data-base beschikt. Als er chroom in een onderschildering van het ene doek zit, heb je afwijkingen of overeenkomsten in andere werken nodig om een beeld juist te kunnen beoordelen. Daarom willen we zo graag samenwerken, ook op dat symposium, met andere serieuze deskundigen. Nee, ik geef geen namen, maar we sturen wel uitnodigingen.”