Toch geen watje

Herbert S. Parmet: George Bush. The Life of a Lone Star Yankee. Sribner, 576 blz. ƒ 78,65

George Bush, schreef de conservatieve Amerikaanse columnist George Will in 1986, 'maakt een heel onaangenaam geluid terwijl hij zich van de ene naar de andere conservatieve bijeenkomst sleept: een amechtig, schel 'waf' - het gekef van een schoothondje'.Bush verkeerde als vice-president onder Ronald Reagan in een weinig benijdenswaardige positie. Voor de ideologen van de Reagan-revolutie, was hij verdacht. Temidden van de parvenu's, sociaal-darwinisten en communistenvreters die in de jaren tachtig in Washington de dienst uitmaakten, had hij een sociaal geweten. Bush, heette het, was een wimp, een doetje.

Het was een kwestie van afkomst. Bush, dat was oud geld. Geld genoeg, maar hij had er geen vuile handen voor hoeven maken. Hij had weliswaar vrijwel zijn hele volwassen leven in de Texaanse olie-industrie gewerkt, maar een echte Texaan en ondernemer was hij toch nooit geworden. Gingen de zaken slecht, dan was er altijd nog het familiekapitaal in New England. Zoals hij zich bij voorkeur niet op rodeo's en ranches ontspande, maar temidden van zijn uitgebreide familie in Maine.

Texaan of Yankee, het zat George Herbert Walker Bush in elk geval niet mee in zijn politieke carrière. Dat wil zeggen, de gedaanteverwisseling die de Republikeinse Partij in de jaren zeventig onderging verraste hem volledig. Terwijl hij eerst als ambassadeur in China diende en later de CIA leidde, veroverden christelijk rechts en belastinghaters de basis van de partij. Bij geen van beide groeperingen voelde Bush zich thuis.

Evenmin had hij gerekend met het fenomeen Reagan. Met bijna het hele Republikeinse establishment was hij ervan overtuigd dat Reagan het als gouverneur van Californië niet slecht had gedaan, maar dat hij toch kansloos was als presidentskandidaat. Niet voor niets had hij Reagans onevenwichtige economische programma - belastingverlaging en tegelijk verhoging van de defensie-uitgaven - nog tijdens de voorverkiezing van 1980 afgedaan als voodoo-economics. Een paar maanden later werd hij door Reagan op sleeptouw genomen. Op de Republikeinse conventie in Detroit werd hij verrassend tot running mate gekozen. Zijn loopbaan was gered, het presidentschap binnen handbereik. Maar eerst moest hij de periode als vice-president zien door te komen. Dat hij daarin is geslaagd, is een klein wonder, blijkt uit de biografie van Herbert Parmet. Zoals Johnson begin jaren zestig door de hautaine medewerkers van president Kennedy voortdurend werd vernederd en als boerenkinkel uit Texas te kijk gezet, zo heeft Bush een acht jaar durende ondermijningscampagne moeten doorstaan. Regisseur ervan was Nancy Reagan.

Volgens Parmet had zij Bush diens aanvallen op haar 'Ronnie' tijdens de campagne van 1980 nooit vergeven, en had ze bijna gehuild van woede toen juist hij om praktische redenen tot vice-president werd gekozen. Vanaf het moment dat ze voet zette in het Witte Huis had ze het op Bush gemunt. Ze verspreidde valse geruchten over een buitenechtelijke verhouding die Bush zou hebben met de weduwe van een senator. Periodiek nodigde ze bevriende journalisten uit voor een lunch als ze een verhaal wenste over de huilebalk en zwakkeling die de vice-president in haar ogen was.

Had Bush de zonnige en onbekommerde natuur van Reagan gehad, dan hadden de aanvallen hun doel gemist. In plaats daarvan trok hij het zich allemaal aan, met twee gevolgen. Aan de ene kant dacht hij het zich niet te kunnen veroorloven de schatbewaarders van de Reagan-revolutie van zich te vervreemden. En dus was hij, eenmaal president, aanvankelijk recht in de leer. Toen hij later omwille van het almaar stijgende begrotingstekort overstag ging en belastingen hief, liet de conservatieve achterban in de Republikeinse Partij onder leiding van Newt Gingrich hem vallen.

Daarnaast meende hij, om te bewijzen dat hij in fysiek opzicht zijn mannetje stond, elke seconde van zijn vrije tijd te moeten besteden aan rennen, zeevissen en racen in een speedboot. Parmet stelt bewonderend vast dat agenten van de geheime dienst hem noch op gymschoenen noch in de zee van Maine konden volgen, en dat hij regelmatig kanjers van beesten uit het diepe opviste. In dit opzicht had Bush wellicht van Reagan kunnen leren: sloof je alleen uit als er een camera in de buurt is. Hoe goed zijn conditie op zich ook was, al dat gedraaf en gestuif door de branding putte hem uit. Bush is niet van plan zijn memoires te schrijven, en alleen daarom is het boek van Parmet al het lezen waard. Ronald Reagan was natuurlijk een tough act to follow, en de neiging bestaat het presidentschap van zijn opvolger, op de Golfoorlog na, te beschouwen als een uitgebreide voetnoot bij dat van de Grote Communicator. Neem alleen het einde van de Koude Oorlog. Door in maart 1983 de Sovjet-Unie als 'het Rijk van het Kwaad' te bestempelen en enkele weken later het Strategisch Defensie Initiatief aan te kondigen, zou Reagan als bij toverslag het einde van het Oostblok, zes jaar later, hebben bewerkstelligd.

Dat is onzin, zoals Parmet nog eens aangeeft. Washington werd in 1989 volledig verrast door de implosie van het Oostblok. Volgens conservatieve commentatoren had Reagan juist een fatale misstap gemaakt door toenadering te zoeken tot Gorbatsjov; tot overmaat van ramp had hij tijdens zijn laatste reis naar Moskou, in 1988, Lenin geprezen en zijn uitspraak over het Rijk van het Kwade herroepen. Toen het Oostblok een jaar later in elkaar zakte, grepen Bush en de zijnen hun kans. De teloorgang van het Sovjet-imperium werd door hen meesterlijk begeleid.

Parmet heeft de uitgebreide dagboekaantekeningen van Bush mogen raadplegen. Daaruit blijkt dat hij na de Golfoorlog was uitgeregeerd. Hij was futloos, voelde zich volledig afgemat. Het was, zoals Parmet overtuigend aantoont, geen kwestie van een ziekte aan zijn schildklier zoals wel is gesuggereerd. Hij had zich als president en patriot bewezen. Een loden last viel van hem af: toch geen watje. Plotseling walgde hij van de politiek. Hij voerde een lusteloze campagne, klaagde over 'gebrek aan naamsbekendheid'. Clinton: daar zou het volk toch niet intrappen?