Sörensen trekt stuur weer krom

Wielrenner Rolf Sörensen rijdt morgen een thuiswedstrijd in de openingsklassieker Milaan-Sanremo. De 32-jarige Deen woont al bijna zijn halve leven in Italië. “Ik ben hier een halfgod.”

DOZZA, 20 MAART. De wielrenners van Rabobank verblijven deze week in het Toscaanse heuvelland. De eerste bloesem kleurt weelderig tussen de kale wijngaarden. De oranje bus van de sponsor steekt schril af tegen de eeuwenoude gevel van hotel Monte del Re. Naast het kasteel staat een waterput die volgens de Italiaanse geschiedschrijving door Franciscus van Assisi hoogstpersoonlijk is uitgediept. De kopman van Rabobank heeft geen weet van deze vertelling. “Voor mij begint het leven pas in 1965”, zegt hij met een vette grijns.

Rolf Sörensen heeft weinig scholing meegekregen in Kopenhagen. Als zoon van een verdienstelijke baanrenner leerde hij op jonge leeftijd de fijne kneepjes van het wielervak. Hij werd ontdekt door een Italiaanse amateurcoach en verhuisde op zeventienjarige leeftijd naar “het mekka van het cyclisme”. Twee jaar later kreeg hij zijn eerste profcontract. Vijftien jaar later geldt hij als de meest ervaren en meest constante beroepsrenner van het peloton. Hij won de klassiekers Parijs-Tours, Luik-Bastenaken-Luik en de Ronde van Vlaanderen. Hij behaalde ritzeges in de Tour en de Giro en hij won een zilveren medaille in Atlanta. Maar Milaan-Sanremo staat niet op zijn erelijst.

“De Italianen beschouwen het als de belangrijkste klassieker van het jaar”, zegt Sörensen. “Maar eigenlijk stelt het weinig voor. Het is net een thriller die pas aan eind spannend wordt. Eerst 6 uur inrijden en dan kun je in 30 seconden winnen of verliezen. Een klein foutje en je bent gezien. In de Belgische klassiekers wint bijna altijd de sterkste. In Milaan-Sanremo speelt het geluk een grote rol. Het is een waanzinnige race, maar wel een belangrijke.”

Sörensen noemt zichzelf een halve Italiaan en voelt derhalve een morele plicht om de Primavera op zijn naam te schrijven. De fanclub in zijn woonplaats Pieve a Nievole zal hem nog meer op handen dragen. De leden van de plaatselijke juniorenclub zullen het shirt met zijn naam op de borst extra recht trekken voor de finishfoto. “Als ik die kleine jongetjes zie rijden, moet ik bijna huilen. Het zegt ook iets over de populariteit van het wielrennen in Italië. In Denemarken werd ik een paar jaar geleden niet eens door mijn buurman herkend. Hier ben ik een soort halfgod.”

Door de overwinning in de Ronde van Frankrijk van zijn landgenoot Bjarne Riis is er de laatste twee jaar veel veranderd in Denemarken. De ouderen zitten met flessen bier voor de televisie. De jongeren kopen een racefiets en tonen serieuze belangstelling. Sörensen is blij met alle aandacht, maar hij heeft zijn bedenkingen bij “de dubbele moraal” van het verhaal. “Ik heb veel meer gewonnen dan Bjarne, maar voor de Denen telt alleen de Tour de France. Dat is voor mij een frustrerende ervaring. Ik wil straks herinnerd worden als een coureur die vijftien aan de wereldtop heeft gestaan en niet als de zogenaamde tegenpool van Riis.”

In navolging van de Italiaanse tweestrijd tussen Fausto Coppi en Gino Bartali, Francesco Moser en Beppe Saronni en recentelijk Gianni Bugno en Claudio Chiappucci, heeft de Deense boulevardpers vorig jaar een vermeende rivaliteit tussen Riis en Sörensen in gang gezet. In eerste instantie ontkent Sörensen de slechte verhouding met Riis, maar na enig doorvragen blijkt er toch sprake van een vertroebelde relatie. “Bjarne heeft verschillende malen lelijke dingen over mij gezegd. Ik heb hem gevraagd daarmee op te houden, want het hoort niet bij de wielersport. Helaas heeft hij niet willen luisteren. Ik vind het kleinzielig en een campionissimo onwaardig. Misschien komt het omdat hij privéproblemen heeft. Anders kan ik het niet verklaren.”

Sörensen doelt op de recente echtscheiding van Riis, veroorzaakt door een affaire met een Deense handbalster in het olympisch dorp van Atlanta. De Deense roddelbladen konden er geen genoeg van krijgen en hebben ruim een jaar later hun zin gekregen. Sörensen hekelt de bekrompen reacties in zijn geboorteland. “Het gaat de Denen niet om topsport, maar om beroemdheden. En als de helden uit de pas lopen, worden ze meteen aangepakt. Misschien is het in Italië niet veel anders, maar hier heb je gelukkig heel veel kampioenen.”

Sörensen heeft “minstens vijftig procent” van zijn prestaties te danken aan zijn Italiaanse begeleidingsteam. Hij bewaart goede herinneringen aan zijn oude ploeggenoot Moreno Argentin, zijn oude ploegleider Giancarlo Ferretti en hij zweert nog steeds bij zijn dokter Luigi Cecchini. “Hij beschouwt mij als zijn derde zoon. Ik beschouw hem niet alleen als een arts maar ook als een psycholoog. We kennen elkaar door en door. Hij hoort door de telefoon aan mijn kuch wat er aan mankeert.”

Tot veler verbazing koos Sörensen drie jaar geleden voor een lucratief contract bij Rabobank, voor een land met een zeer bescheiden wielertraditie. Hij voelt zich thuis bij de Nederlandse sponsor. Hij roemt de openheid en de gezelligheid op de trainingskampen. Maar de verplichte mediatraining van de sponsor noemt hij kletskoek. “Hoe kun je nu een jongen als Michael Boogerd gaan vertellen hoe hij op vragen moet antwoorden? Hij is juist populair vanwege zijn spontaniteit.”

Boogerd heeft zich in de schaduw van kopman Sörensen kunnen ontwikkelen tot een internationale subtopper. De kopman is positief over de vorderingen van de voormalige knecht. Desgevraagd noemt hij een paar minpunten. “Bogie heeft een zwakke eindsprint, daarom zal hij nooit veel koersen winnen. Verder moet hij nog een paar overtollige kilo's zien kwijt te raken. De mensen langs de kant zullen hem mager vinden, maar ik zie het verschil met de echte toppers. Dat is andere muziek.”

Zijn eigen lichaam is getekend door twintig tropenjaren op de fiets. Zijn aanvallende manier van koersen heeft hem veel fysieke problemen opgeleverd. Hij heeft bijna al zijn botten wel een keer gebroken. Eind vorig seizoen kwam hij zwaar ten val in de Ronde van Nederland. Zijn linkervinger was na de operatie een centimeter korter dan de rechter en staat bijna haaks op zijn hand. Sörensen was even bang voor het remmen en het schakelen. “Natuurlijk ga je twijfelen, want een wielrenner twijfelt altijd. Toen ik vorige week in de Tirreno de sprint won, wist ik dat alles oké was. Ik kan het stuur gelukkig weer kromtrekken.”