Ptolemy Tompkins

Ptolemy Tompkins: Paradise Fever. Despatches from the Dawn of the New Age. Bloomsbury, 286 blz. ƒ 53,90

Aan het begin van zijn autobiografie Paradise Fever beschrijft Ptolemy Tompkins (1962) hoe hij voor zijn dertiende verjaardag van zijn vader een duikerpak cadeau krijgt, dat hij aan het uitproberen is op de bodem van het zwembad. Een tafereeltje dat zo uit de film The Graduate afkomstig zou kunnen zijn? Niet echt. Zijn vader hoopt namelijk dat Ptolemy zich na wat oefenen nuttig zal kunnen maken op de expeditie naar het verloren continent van Atlantis die hij aan het organiseren is. Tompkins is de zoon van de beroemde Amerikaanse New Age goeroe Peter Tompkins, die boeken schreef als The Secret Life of Plants en Secrets of the Great Pyramid, en de naam Ptolemy is wel één van de minst opmerkelijke zaken waarmee hij door zijn ouders werd opgezadeld.

In Tompkins autobiografie is een zeker zo grote rol weggelegd voor zijn vader als voor de schrijver zelf. Er rijst een beeld op van een charismatische man die, na in de Tweede Wereldoorlog bij de geheime dienst te hebben gewerkt, een levenslange obsessie behield voor het onthullen van de geheimen van het universum. De enorme, oude loods in Virginia, waar het gezin Tompkins naartoe verhuist om vaders visie van het nieuwe Eden in de praktijk te brengen, wordt een ontmoetingspunt voor stenenlezers, naakt tuinierende hippiemeisjes, UFO-experts, en échte excentriekelingen zoals de wiskundige Quigley, die calculators opeet, en telepathisch communiceert met mieren.

Het effect van deze omgeving op Ptolemy is niet onverdeeld positief. Zo zien we hoe hij op latere leeftijd zowel met de invloed van alcohol en heroïne als met die van zijn vader worstelt. Toch blijft Ptolemy sympathie behouden voor de wondere wereld van de New Age, waarvan hij in Paradise Fever een fascinerend en bij tijden hilarisch verslag biedt.