Plichtmatig en natuurlijk landschap; De ontreddering van de hazen

Willem van Toorn: Leesbaar landschap. Querido 1998, 134 blz. ƒ 29,90

Koos van Zomeren: De bewoonde wereld: Een bloemlezing uit ons landschap. De Arbeiderspers, 280 blz. ƒ 25,-

C.J. Aarts en M.C. van Etten (samenst.): Ik ging naar Bommel om de brug te zien: Nederland in 100 liedjes en gedichten. Bert Bakker, 192 blz. ƒ 19,50

Kick van der Veer (samenst.): Ik hou van Holland: Liedjes, conférences en light verse. Nijgh & Van Ditmar, 288 blz. ƒ 25,-

Als morgenavond in het door spraakmakend Nederland nu bijna doodgeknuffelde Jorwerd, in café Het Wapen van Baarderaadeel, het slotbal wordt gehouden van de Boekenweek, kunnen we terugkijken op tien dagen en tientallen beschouwingen over ons landschap. En niemand, in al die dagen en beschouwingen, die helderheid wist te scheppen over dat thema. Er liepen dan ook verschillende dingen door elkaar. Het ging, denk ik, in de eerste plaats over de inrichting van Nederland - een niet a priori literair onderwerp - maar af en toe leek het ook te gaan over de literaire verwerking van dat landschap. Probeer daar maar eens houvast aan te krijgen.

Wat het extra lastig maakte, is het feit dat de landschapsbeschrijving in de roman al sinds jaar en dag bekend staat als het element dat doorgaans door de lezer wordt overgeslagen. Zo'n roman moet wel heel ver boven de middelmaat uitsteken om de lezershaast zin voor zin te overleven. De tijden dat de lezer bij de olielamp aandachtig kennis nam van iedere boom in een Noorse trilogie, zijn voorgoed voorbij. Wie zijn landschap niet wezenlijk tot onderdeel van de handeling weet te maken, kan het net zo goed onbeschreven laten. Zou dat de reden zijn waarom er tijdens deze Boekenweek zo opvallend weinig is gezegd over de historie, de specifieke eigenaardigheden en/of de kwaliteit van de literaire landschapsbeschrijving?

Een poging tot geschiedschrijving is wel te vinden in de beschouwingenbundel Leesbaar landschap van Willem van Toorn. Althans: het openingsverhaal dient zich als zodanig aan. Het lijkt erop, schrijft Van Toorn na het citeren van diverse arcadische verzen uit eerdere eeuwen, dat het landschap pas aan het eind van negentiende eeuw echt in de literatuur is verschenen. Hij suggereert - zij het nogal vaag - een verband met de opkomende industrialisatie en de gelijktijdig verschenen natuurboeken van Heimans en Thijsse, maar brengt vervolgens zo veel voorbeelden uit het begin en het midden van de negentiende eeuw te berde, dat hij zijn conclusie meteen weer ondergraaft.

Wat zich wreekt, is dat hij dit stuk blijkens de verantwoording in 1987 heeft geschreven in opdracht van de Culturele Raad Noord-Holland en het blijkbaar niet de moeite waard heeft gevonden het te veralgemenen. Het resultaat is een opsommerige inventarisatie van citaten over Noord-Holland, die ten slotte verzandt in een lukrake bloemlezing van landschappelijke beelden uit de hedendaagse poëzie. Wat de auteur er precies mee wil zeggen, blijft in het vage. Misschien wist hij het zelf ook niet, maar ja, hij had nu eenmaal die opdracht aanvaard.

Leesbaar landschap is een typisch gelegenheidsbundeltje met ongelijksoortige stukken, dat door het waterverflandschap op het kaftje uitroept: kijk mij eens alert op het Boekenweek-thema inhaken! Daarbij komt dat Van Toorn zich in deze artikelen en columns een tamelijk richtingloos voortkabbelend stilist toont, die bovendien niet is onderworpen aan een strenge eindredacteur. Zo herhaalt hij zijn stelling dat het landschap zijn belang ontleent aan de tekens die het vasthoudt van ons gemeenschappelijk verleden, en citeert hij tot twee keer toe triomfantelijk twee dichtregels van Vondel, waaruit blijkt dat de kunst zich al in 1658 hoog verheven voelde boven het natuurlandschap: 'Zo komt de kunst Natuur te baat, en kan haar leren/ wat landbouw, arbeid en zorgvuldigheid vermag.' Een leuke passage, maar één keer was genoeg geweest.

Biestarwegras

Een gelegenheidsbundel is ook De bewoonde wereld van Koos van Zomeren, met natuurfragmenten uit zijn romans en een aantal grote stukken die hij schreef voor deze krant. Maar bij Van Zomeren is het landschap een gegeven dat zich als vanzelf met zijn proza vermengt, en daar geen Boekenweek of opdracht van de provincie Noord-Holland voor nodig heeft. Het is er gewoon, het hoort erbij. En hij probeert het ook niet mooier te maken dan het is. Hij schrijft - goed geïnformeerd - op wat er aan de hand is, dat is voldoende. Eén keer verwijst hij in deze bundel naar de ontwikkeling van zijn stijl, in een stuk over Engelsmanplaat: 'In 1979 ben ik hier even geweest en toen lagen aan de oostkant nog duintjes met biestarwegras (kniehoge duintjes met wuivend biestarwegras, schreef ik toen).' Zulke bijvoeglijke naamwoorden laat hij nu dus weg.

Afgezien van sommige iets te populaire zinswendingen ('prima toch?') is Van Zomeren een reporter die veel te vertellen heeft en dat heel beeldend doet. En zelfs als er reden zou zijn voor zorg over het landschap, blijft zijn toon bedrieglijk laconiek. Liever dan in obligate toorn te ontsteken over het opgespoten en door zand verstikte land vol bouwdrift, beschrijft hij de ontreddering van de hazen: 'Die doolden weken later nog vertwijfeld rond. Die wisten absoluut niet meer waarheen. Tussen shovels en draglines bleven ze soms doodstil staan. Alsof ze dachten dat het tijdelijk was, dat het vertrouwde landschap vanzelf wel weer te voorschijn zou komen, dat het een droom was en gewoon een kwestie van ontwaken. Als ik een symbool voor argeloze wanhoop zocht, nam ik een haas op een bouwterrein.'

Lofzangen

Puur geografisch is de bloemlezing Ik ging naar Bommel om de brug te zien van C.J. Aarts en M.C. van Etten, de makers van de bestseller Domweg gelukkig, in de Dapperstraat. Bepaald komisch is hun voorwoord, waarin ze schrijven dat ze alle Nederlandse provincies hebben gevraagd of zij ook een officieel volkslied hebben. Dat gaf, zo te horen, nog heel wat verwarring op de diverse provinciehuizen. Gelderland stuurde eerst een tekst en daarna een andere, in Drente wordt er nog over gestreden en in Zeeland en Overijssel blijken er twee te bestaan.

Zo staan verheven verzen uit de pennen van Tollens, Potgieter, Valerius en de vele regionale lofzangen nu naast een nogal willekeurige keuze uit de liedjes van spotters als Hans Dorrestijn (' 'k Woon in Ede, boze droom / het leven is daar saai en sloom'), Willem Wilmink ('Het is het eindpunt van de trein / bijna geen mens hoeft er te zijn / bijna geen hond gaat zo ver mee: / Enschede'), Paul van Vliet ('Den Haag met je lege paleizen') en drs. P, die op iedere Nederlandse gemeente een zot gedicht kan maken, en dat ook in veel gevallen al heeft gedaan. Sommige van die cabareteske teksten komen ook voor in de bundel Ik hou van Holland van de geoefende cabaret-bloemlezer Kick van der Veer. Het grote verschil is echter, dat Van der Veer zijn opdracht heel wat breder heeft opgevat. Bij hem overheerst de Nederlandse volksaard, die misschien wel veel met het landschap te maken heeft, maar waar verder zo ongeveer alles onder kan worden gerangschikt wat hem in zijn kraam van pas kwam. Dus ook de tirade van Youp van 't Hek tegen provinciaal bezoek aan Amsterdam ('en nou de helm op, brommer starten en wegwezen, hupsakee') en een liedje van Jeroen van Merwijk over blanke Zuid-Afrikanen die in Nederland dezelfde apartheid denken aan te treffen als thuis.

Het is natuurlijk nog maar een kwestie van tijd, of ook aan Jorwerd zullen de dichters van het lichte vers een tekstje wijden. Het rijmt alleen een beetje lastig, Jorwerd.