Nieuwsgierig

Op een ochtend werd de spitsmuis wakker en was hij nieuwsgierig.

Hij keek onder zijn deken. Ja! Mijn tenen! dacht hij.

Hij ging rechtop zitten, keek onder zijn bed, zag niets, sprong uit bed en holde naar zijn spiegel.

Hij bekeek zichzelf en probeerde ook te zien wat er eigenlijk achter zijn oren zat. Dat zou ik wel eens willen weten! dacht hij. Maar het lukte hem niet om iets daarvan te zien.

Hij schoot zijn jas aan en ging naar buiten. Hij keek achter elke grasspriet en elke bloem. Ik ben heel benieuwd wat overal achter zit, dacht hij.

Hij kwam bij het huis van de mier en klopte aan.

“Ja”, zei de mier.

“Ik ben het, de spitsmuis”, zei de spitsmuis. “Ik was benieuwd of je thuis was.”

“Ja”, zei de mier. “Ik ben thuis.”

De spitsmuis stapte naar binnen en keek om zich heen.

“Wat zit er eigenlijk in die kast?”, vroeg hij. “Dat zou ik wel eens willen weten.” Hij wees naar de kast van de mier.

“Niets”, zei de mier.

“O ja?”, zei de spitsmuis. “Niets?”

“Ja”, zei de mier.

De spitsmuis opende de deuren van de kast en klom erin. Hij bekeek alle planken.

“Waar denk je eigenlijk aan, mier?”, riep hij van binnen.

“Wat ik vandaag ga doen”, zei de mier.

“En hierachter, wat zit daar?”, riep de spitsmuis met een gesmoorde stem.

“Ook niets”, zei de mier.

“O ja?”, vroeg de spitsmuis. De mier hoorde scheuren, kraken en zuchten in zijn kast.

Even was het stil. “Ik zit klem”, zei de spitsmuis toen.

De mier stond op, klom in de kast en begon aan de spitsmuis te trekken.

“Wat denk je nu, mier?”, vroeg de spitsmuis. “Nog steeds wat je vandaag gaat doen?”

“Nee”, zei de mier. “Ik denk hoe hard ik moet trekken.”

“Ja!”, riep de spitsmuis. “Daar ben ik ook heel benieuwd naar!”

De mier trok steeds harder en opeens vlogen ze allebei in volle vaart uit de kast over de tafel heen tegen de muur.

Versuft lagen ze op de grond, maar de spitsmuis sprong na één tel alweer op.

“Heb je je bezeerd?”, vroeg hij. “Bezeer je je vaak? Vind je dat erg?”

“Nee”, gromde de mier. Hij sloeg zijn ogen op en keek de spitsmuis donker aan.

“Of vind je iets anders erg?”, vroeg de spitsmuis. “Wat vind je eigenlijk erg? En wat het allerergste wat er bestaat?”

De mier zei niets.

“Of vind je soms dat ik weer moet gaan?”, vroeg de spitsmuis.

“Ja”, zei de mier.

“Daar was ik heel benieuwd naar”, zei de spitsmuis. “Het is dus zo. Ach, wat bijzonder...!”

Hij schudde zijn hoofd en liep het huis van de mier uit. De mier stond langzaam op, zei een paar keer 'au' en ging weer aan zijn tafel zitten.

De spitsmuis liep het bos in.

“Wat doe je daar?”, riep hij omhoog naar de zwaluw.

“Vliegen”, riep de zwaluw terug.

“En wat denk je?”

“Dat ik vlieg.”

“En wat wil je?”

“Vliegen.”

“En jij?”, riep hij naar de lijster die op een tak van de eik zat te zingen.

“Ik zing”, riep de lijster terug.

De spitsmuis schudde zijn hoofd, wist even niet wat hij nog meer aan de lijster wilde vragen en holde verder. Hij vroeg aan iedereen wat hij deed, wat hij dacht, wat hij wilde, waar hij trek in had, wie hij die dag had gezien, wat hij dacht toen hij wakker werd en nog veel meer. Hij loerde achter elke boom en keek in elke struik. En ik? dacht hij. Wat doe ik? Hollen. Ik hol. En wat denk ik nu? Ik denk: wat denk ik nu. En straks, wat denk ik straks? En daarna?

Hij struikelde. Ach, ik struikel, dacht hij. Waarom struikel ik eigenlijk? Daar ben ik heel benieuwd naar. Hoe struikel je eigenlijk, trouwens? Hij probeerde opnieuw te struikelen, en opnieuw. Tot hij uitgeput was.

Ben ik nu uitgeput?, dacht hij. O ja? Is dit nu uitgeput?

Hij schudde zijn uitgeputte hoofd van verbazing en wilde alles weten van uitgeput, maar ook van hoofdschudden en verbaasd zijn.

Midden in het bos lag de spitsmuis op het gras, op zijn rug, op een ochtend in de zomer en vroeg zich alles, maar dan ook alles af.