Liefde in acht lettergrepen; De gloriejaren van het Franse chanson

“Alsof het eeuwig lente was en de jaren vijftig nooit meer zouden ophouden,” zo klinkt de cd met Franse chansons bij het boek 'La vie en rose'. Aan de hand van foto's en tekstjes wordt een weemoedig beeld geschetst van de jaren vijftig, de tijd dat Parijs nog een toverwoord was.

Pierre Delanoë: La vie en rose, the singers and the songs of 20th century Paris. Thames and Hudson, Londen, 112 blz. Prijs ƒ 78,20, incl. cd.

De nostalgie stroomt mijn oren binnen. Y'a d'la joie, zingt Maurice Chevalier, en ik zwier met hem mee door een zonovergoten voorjaarsdag in Parijs. We dansen door de straten, over de pleinen en langs de fonteinen, we houden even de pas in bij een stalletje waar de bloemenverkoper vriendelijk lacht als we één bloem uit een boeket halen en die met een galant gebaar overhandigen aan een charmante voorbijgangster. En natuurlijk danst zij dan een paar passen met ons mee, tot we weer een ander bloemenstalletje zien en een andere charmante voorbijgangster. Het is zo'n liedje dat nooit meer lijkt op te houden, altijd, altijd dansen we door. Chevalier huppelt iets minder lichtvoetig dan Charles Trenet, die het nummer schreef en ook voor het eerst zong, maar zijn plezier is even aanstekelijk. Y'a d'la joie, partout y'a d'la joie.

Alsof het eeuwig lente was en de jaren vijftig nooit meer zouden ophouden, zo klinkt het cd'tje achterin La vie en rose, een onlangs verschenen bladerboek dat met onversneden weemoed terugkijkt op de gloriejaren van het Franse chanson. Op de samenstelling van dat plaatje is heel wat aan te merken, want er ontbreekt nogal veel. Maar het titellied staat er vanzelfsprekend wel op (Edith Piaf, wiegend bij een viool en een kornet), evenals Trenet in het deinende La mer, het herfstige Mouloudji-geluid in Les feuilles mortes en de mij onbekende Francis Lemarque in het overbekende Sous le ciel de Paris.

Welk gevoel hun hoofdstad toen bij de Fransen opriep, weet ik niet. Ik heb het hier over het toverwoord dat Parijs destijds voor de Nederlanders was. Parijs was de stad van oh-la-la en ook de stad om verliefd in te zijn. Romantiek was pas echte romantiek als Parijs het decor vormde. Wie zijn eerste reisje naar Parijs had gemaakt, was de volwassenheid dicht genaderd. Wie in Parijs was geweest, had een bredere blik op de wereld. Dat gold voor de generatie vóór ons, en dat gold ook voor wie in de jaren vijftig nog naar school ging. Het eerste gedicht in het in 1959 verschenen bundeltje Een 10 voor de 10-ers, een keuze uit de beste schoolkrantstukken van dat jaar, draagt al meteen de hoofdletterloze datering 'parijs, augustus 1958' - waarmee de jeugdige auteur, een vijftigers-epigoon, maar wilde zeggen dat hij van wanten wist.

En bij Parijs hoorde het Franse chanson, ook als ons school-Frans niet altijd toereikend was om ieder woord te verstaan - vooral als het zo lastig samenklonterde met een lidwoord, voorzetsel of aanwijzend voornaamwoord. Quand il me prend dans ses bras / qu'il me parle tout bas / je vois la vie en rose, zong Piaf, en dan kon je de rest wel min of meer invullen.

Noordenwind

Het boek La vie en rose, overigens een Engelstalige uitgave, is samengesteld door Pierre Delanoë, die zelf als tekstdichter voor Gilbert Bécaud een paar van de mooiste chansons aller tijden op zijn naam heeft staan: Et maintenant, Nathalie, l'Important c'est la rose en Le jour ou la pluie viendra. Hij schreef over de noordenwind die het deuntje wegblaast dat zijn geliefde hem ooit heeft voorgezongen, en ook schreef hij een zinnetje als toi qui m'amait, moi qui t'aimais. Zelden was de liefde in acht lettergrepen zo triest en zo voorgoed voorbij.

De foto's in zijn boek zijn in twee groepen te verdelen: ze tonen ofwel een zanger(es) die in de zwarte eenzaamheid van het podium de stem - en vaak ook een arm - uitstrekt naar de liefde, of ze vieren feest. Het beeldverhaal, dat ons de geschiedenis van het Franse chanson wil vertellen, begint kort voor de oorlog en strekt zich grofweg uit tot in de jaren zeventig. De nadruk ligt op de jaren vijftig, toen in Parijs maar liefst 300 muziekuitgevers gevestigd waren en het chanson niet alleen gelijk stond aan het populaire lied, maar ook een gewild uitdrukkingsmiddel was voor dichters. Jacques Prévert, met Les feuilles mortes, had hun de weg gewezen: de poëzie die met eenvoudige woorden veel wil zeggen, kon heel goed op muziek werden gezet. En toen lui als Georges Brassens en Charles Aznavour hun liedjes ook zelf gingen zingen, in plaats van ze te verkopen aan de zoetgevooisde sterren van dat moment, was er helemaal geen houden meer aan. Men hoefde dus niet eens volgens de geijkte begrippen mooi te kunnen zingen om chansonnier te zijn.

Met losse hand strooit Delanoë wat notities tussen de foto's door, waarin hij zijn favoriete chansons opsomt en in categorieën onderbrengt. Het aardige daarvan is dat bijna alle vedetten van het chanson in bijna alle hoofdstukken terugkeren. Jean Ferrat zong op de barricaden, maar dichtte ook het navrante nummer over de leegloop van de bergdorpen dat bij ons, door de vrije bewerking van Friso Wiegersma, bekend is geworden als Het dorp van Wim Sonneveld. Juliette Gréco en Barbara zongen tegen de oorlog, maar ook voor de liefde. Gilbert Bécaud zong alles, net als Charles Aznavour. Geen van hen beperkte zich tot één genre. Alleen misschien Charles Trenet, voor wie Frankrijk toch altijd Douce France, cher pays de mon enfance bleef.

Een verrassend hoofdstukje gaat over vriendschap, de mannenvriendschap vooral. Ik zou niet zo gauw een andere taal weten waarin zo vaak over vriendschap is gezongen als het Frans. De vertaler heeft het woord amitié zelfs onvertaald gelaten. In het Frans slaan mannen de armen om elkaars schouders en geven luidkeels blijk van hun wederzijdse warme gevoelens. Eén van Delanoë's voorbeelden is het gespierde Camarade van Charles Aznavour. Ten onrechte noemt hij in dit kader trouwens niet de ultieme zanger van de mannenvriendschap: Jacques Brel (Adieu Emil, je vais mourir), die ook in zijn privé-leven een mannenman was. Meestal is de mannenman - zie Yves Montand - iemand die in afgunstwekkend tempo vrouwen versiert en daarna zo snel mogelijk terugkeert in de omgeving van zijn vrienden. Un peu d'amour et d'amitié, luidde immers het zorgeloze lied van Bécaud, want dat was alles waar het in het leven om ging.

Popmuziek

Maar er kwam een moment waarop het allemaal anders werd. Ergens in de jaren zestig golfde ook in Frankrijk de popmuziek naar binnen, al verzonnen de Fransen er natuurlijk wel hun eigen woord voor: yé-yé. Veelbetekenend werd de toon gezet door Pour moi la vie va commencer en het feit dat de zanger, Jean-Philippe Smet, zichzelf de Engels klinkende artiestennaam Johnny Hallyday gaf. Desondanks is hij nooit een internationale ster geworden. En het grootste succesnummer van zijn collega Claude François, Comme d'habitude, werd pas een wereldwijde hit toen Paul Anka het voor Frank Sinatra had bewerkt tot My way.

Bij ons bleven de Franse chansons echter nog jarenlang binnenkomen. De meeste van hun tienersterren waren ook nog de onze. Michel Polnareff, Julien Clerc, Michel Fugain en Gérard Lenorman (met het door Delanoë geschreven La ballade des gens heureux) werden in Toppop even hartelijk welkom geheten als hun Engelse en Amerikaanse concurrenten. Maar ik denk dat Lenorman de laatste in die rij is geweest. Ondanks diverse pogingen van haar platenmaatschappij is de Franse vedette Patricia Kaas in het buitenland niet beroemd geworden. Haar collega Céline Dion bereikte die status pas toen ze Amerikaans middle of the road-repertoire ging zingen.

Ongetwijfeld heeft dat te maken met de ineenschrompeling van het Frans als wereldtaal. Engels is de lingua franca geworden. Jongeren van nu verstaan van het Frans nog veel minder dan de jongeren van de jaren vijftig. En de pogingen van Franse artiesten om hun taal in het disco-idioom te zingen, verwekten buitensland voornamelijk hoongelach - door het dwingende ritme kwamen alle klemtonen verkeerd te liggen. Pas nu de Franse pop zich in het Engels laat horen, wordt over de grens gesproken van een Frans golfje.

Maar hoe staat het chanson er in Frankrijk zelf voor? “Het Franse populaire lied zonk weg in het variété-genre,” schrijft Delanoë over de naweeën van de jaren zestig. Meer woorden maakt hij er niet aan vuil, al wijst hij elders in het boek hoopvol op het werk van chansonniers als Michel Jonasz, Francis Cabrel en Jean-Jacques Goldman - namen die ons niets zeggen. Zijn hele boek ademt echter de sfeer van vergane glorie, van de tijd dat in zolderkamers op de hele wereld visnetten werden opgehangen, kaarsen brandden in lang geleden leeggedronken flessen goedkope landwijn (het ging erom wie het kaarsvet het mooist langs de fles kon laten druipen) en het Franse chanson op de pick-up lag.

Des te wonderlijker, dat hij l'Ame des poètes van Charles Trenet onvermeld heeft gelaten, want een troostrijker chanson is nooit geschreven. Lang nadat de dichters zijn verdwenen, zong Trenet, blijven hun woorden nog hangen in de straten. In de straten van Parijs, vul ik aan, waar vroeger de zangers over de trottoirs dansten en bloemen gaven aan vrolijk lachende voorbijgangsters.