Lamsbout met videoclips

Frans Haks: Een calculerende terrïer. De Arbeiderspers, 409 blz. ƒ 59,90

Museumdirecteuren zijn in Nederland over het algemeen niet erg gesteld op de media. Met uitzondering van Rudi Fuchs zijn ze zelden buiten hun eigen instituut te bewonderen. Ze doen hun werk, maken hun tentoonstellingen, regelen hun nieuwbouw, maar als het op het 'kunstdebat' aankomt zijn ze zo goed als afwezig. Dat bleek weer eens tijdens de discussie die ontstond na de vernieling van Barnett Newmans Cathedra - geen museumdirecteur die zich meldde.

De enige uitzondering op die regel - samen met Fuchs - was Frans Haks, van 1978 tot 1995 directeur van het Groninger Museum. Haks was in die periode meer dan regelmatig in kranten en op televisie te bewonderen, vooral omdat hij een bijna satanisch genoegen scheen te hebben in rumoer - altijd was Haks goed voor een geruchtmakende uitspraak. Nu had hij daar een goede reden voor: Haks wilde zo veel mogelijk publiek in zijn museum en aangezien Groningen voor de gemiddelde randstedeling even ver weg lijkt als Spitsbergen kwam er niemand tenzij er flink wat heisa werd gemaakt. Dat deed Haks met verve, maar het gevolg was wel dat er de afgelopen decennia geen museumdirecteur is geweest die zo controversieel was als hij.

Dat hij zo vilein werd aangevallen kwam dan ook niet alleen doordat Haks zich roerde in de media: ook met zijn artistieke beleid leek hij zich hoe dan ook te willen onderscheiden van zijn collega-musea. Bij Haks was weinig Nauman, Baselitz of Mario Merz te bewonderen, maar videoclips, computerkunst, gemanipuleerde fotografie of reclame. Want ongevoelig voor modes was Haks niet bepaald, hij volgde alleen andere dan zijn collega's.

Die mentaliteit spreekt ook uit Een calculerende terriër, een keuze uit de dagboeken die Haks bijhield van 16 januari 1986 tot en met 31 december 1995, en die een mooi beeld geven van Haks' dagen in Groningen. Dat begint al met het omslag, ontworpen door Groninger Museum-huisvormgever Swip Stolk: lichtgroen en goud, dat doorloopt over de randen van de pagina's en met het logo van het Groninger Museum op de voorkant, een boek als een juwelenkistje is het.

Ook de inhoud is typisch Haks. Zo begint het dagboek op 16 januari met de mededelingen dat 'de Vonhoffen' komen eten. Wat volgt is echter geen verslag van de avond, of een samenvatting van de tafelconversatie, maar een beschrijving van het servies, het bestek en het menu dat Haks' levensgezel Johan Anbaumm die avond heeft opgediend en dat bestond uit: paté van houtsnippen; zalm gevuld met snoekbaars; lamsbout met een saus van verse laurierbladeren en tweemaal gepelde tuinbonen; een assortiment Hollandse kazen, mandarijnenbavarois met slagroom, en koffie met Sachertorte naar het recept van Alice B. Toklas. Na afloop van deze grand boeuf constateert Haks slechts dat de eters gelukkig 'culinair geschoold' waren - over de avond verder geen woord.

Voedsel is belangrijk in Een calculerende terriër, net als beeldende kunst, maar het allerbelangrijkste van het boek is dat er minutieus het ontstaan van het nieuwe Groninger Museum in te volgen is, zoals dat tegenwoordig in het kanaal voor het Centraal Station valt te bewonderen. Het boek begint in 1986 met de gift van 40 miljoen gulden van de Gasunie, en volgt Haks' overpeinzingen over zoeken naar de juiste vorm, tot het aantrekken van architect Mendini en de uiteindelijke realisering, ruim acht jaar later. En hoe merkwaardig het ook klinkt, zeker omdat 'de plot' bekend is: dat verhaal houdt de lezer van het eerste tot het laatste moment onder spanning. Dat komt allereerst door Haks' aanstekelijke schrijfstijl, maar ook doordat het verhaal alle elementen van een jongensboek bevat: de directeur wil een museum bouwen, maar vindt telkens beren op zijn weg. Voortdurend ondervindt Haks tegenwerking van zijn eigen bestuur, er moet jarenlang worden gesappeld om meer geld, en in de lokale, Groningse politiek en ambtenarij blijken zoveel 'onbenullen' rond te lopen dat Haks voortdurend op zijn hoede moet blijven. Zoals bekend bereikte hij uiteindelijk zijn doel, maar daarvoor betaalde hij zijn tol: eerst werd hij beschuldigd van uitkeringsfraude, vervolgens kreeg hij een hartaanval en uiteindelijk moest hij vertrekken als directeur.

Natuurlijk is Haks ook in Een calculerende terriër soms een ijdeltuit en valt uit summiere verwijzingen op te maken dat hij voor zijn medewerkers af en toe onuitstaanbaar moet zijn geweest. Ook bij de collectie die Haks opbouwde zijn vraagtekens te zetten: in zijn ijver af te wijken van de norm was hij soms wel erg fanatiek. Daar staat tegenover dat het Groninger Museum uniek is in de wereld en dat nu Haks weg is pas duidelijk wordt hoe belangrijk hij was als tegenwicht in de museumwereld, als pain in the ass, als fanatiek pleitbezorger van 'zijn' kunst. Zonder Frans Haks is de Nederlandse museumwereld overzichtelijk geworden, en dat was wel het laatste waarop we zaten te wachten.

    • Hans den Hartog Jager