Isoleercel

Te veel aantekeningen opgelopen. Drie dagen iso gekregen. Vanmorgen om 7 uur afgevoerd. Als we in het iso-blok komen, moet ik naakt. Drugscontrole.

“Mond open, vingers spreiden, voetzolen omhoog, bilnaden uit elkaar, oké, clean”. Mijn kleren gaan achter slot en grendel en ik krijg een zelfmoordvrije, crêpepapieren hemd en broek zonder elastiek en lusjes in mijn handen gedrukt. De broek valt veel te wijd en voorzichtig, mijn handen om mijn middel, schuifel ik naar de cellen. Bij cel 12 houden we stil.

“'s Avonds om 10 uur krijg je een matras, beddengoed en handdoek, 's ochtends om 7 uur wordt het weer opgehaald. Als je naar de wc moet, druk je op de bel. Nog vragen?”

“Nee”, mompel ik.

Met een klap wordt de deur dichtgesmeten. Er valt een zware duisternis over me heen en het enige licht dat me rest, zijn een paar straaltjes uit een lamellen raampje hoog in de muur. Voorzichtig begin ik rond te schuifelen. Maar veel valt er niet te zien: een poef, een wasbak en een plankje aan de wand - dat is alles.

Het angstzweet breekt me uit. Sinds Spanje kan ik geen isoleercel meer zien*. Alle klappen, stokslagen, bevelen en vernederingen komen verduizendvoudigd terug: “Hijo de puta, ladrón, cabrón”, schreeuwt de poef; “bang, bang, au, stop, zo is het genoeg, in godsnaam niet meer”, zwiepen de wanden.

In paniek begin ik door de cel te razen, harder en harder, tot er geen kreten en slagen meer zijn en er alleen maar een immens lege lucht is.

Uitgeput leg ik mijn hoofd op de poef. De wereld is nu heel ver weg, alleen haar lamellen straaltjes zijn er nog en heel soms de verre, trieste schreeuw van een meeuw; ik voel me hopeloos alleen.

De enige afleiding zijn een aantal vage muurtekeningen van met messen doorboorde smerissen en een paar in de wanden gekerfde teksten: 'J.S. '94, 14 pleurisdagen' 'My child is my future' 'Saïd was here, krijg allemaal de kanker' 'Kill the blacks, Janmaat for President' 'Fuck the police' Na ik weet niet hoeveel hazenslaapjes wordt een bord eten naar binnen geschoven. Alleen de geur maakt me al misselijk en ik schuif het direct terug.

“Is het niet goed genoeg voor mijnheer”, snauwt de bewaker.

Als kemphanen staan we tegenover elkaar en het liefst had ik dat grijnzende gezicht in elkaar geslagen. Maar ik heb er alleen mezelf mee: het is vuisten tegen knuppels, crêpe tegen uniform, eenling tegen systeem - winnaar bij voorbaat bekend.

“Fuck you”, schreeuw ik machteloos.

Maar hij is al weg; ik hoor alleen zijn dreunende laarzen nog: “Klik, klik..., fuck, fuck..., klik...” Tot ook dat geluid weg is en ik alleen mijn ademhaling nog hoor en soms een eenzame schreeuw van een meeuw. Pas een halve dag is om en ik moet er nog twee.

*Zie: 'Engelen en Ratten: 24 maanden in een Spaanse gevangenis'. Van Gennep, 1997, Amsterdam.