In den beginne was het Geslacht

Louis Calaferte: Drift (Septentrion). Uit het Frans vertaald door C.M.L.Kisling met een nawoord van Solange Leibovici. De Arbeiderspers, 333 blz. ƒ 49,90

Een vervloekt boek. Zo typeerde Louis Calaferte (1928-1994) graag zijn derde tekst Septentrion, die in het Nederlands verscheen onder de titel Drift.

De gesprekken met Louis Calaferte die in 1988 op Radio France Culture werden uitgezonden, zijn gebundeld in Choses dites, uitg. Le Cherche Midi, 1997. Met zijn uitspraak doelde Calaferte op de vele obstakels die het boek in de weg werden gelegd voordat het onder de ogen van een lezer kwam. Hij schreef het in vijf jaar, tussen 1956 en 1961. Overdag werkte hij bij de radio in Lyon, 's nachts verkeerde hij, zoals hij in 1988 vertelde op radio France Culture, in een 'gepassioneerde staat van fantastische creativiteit'. Het boek verscheen in 1963, maar werd, op grond van zijn gewelddadige en pornografische inhoud, verboden. Twintig jaar later, in 1984, werd het opnieuw uitgegeven, maar ook toen bleef het stil. Pas in 1996, twee jaar na de dood van de schrijver, profiteerde het boek van de plotselinge, overweldigende aandacht voor Calaferte en werd Drift als een cruciaal boek erkend in wat een enorm literair oeuvre genoemd mag worden: 19 récits (Calaferte weigerde romans te schrijven), 34 dichtbundels, 6 carnets (een soort dagboeken, waarvan nog steeds nieuwe delen verschijnen), 5 essaybundels en meer dan 20 toneelstukken. Daarnaast liet hij als schilder en tekenaar een omvangrijk oeuvre na.

In zijn eerste boek, Requiem des innocents (1952), vertelt Calaferte over zijn jeugd in 'la zone', een buitenwijk van zijn geboortestad Turijn. Van deze plek geeft Solange Leibovici in haar nawoord, dat onontbeerlijk is voor een beter begrip van Drift, een afschrikwekkend realistisch beeld. 'La zone' was een smerig getto van pooiers, hoeren, verkrachters, dieven en moordenaars, waar alleen de wetten van geweld telden en waar nauwelijks meer van een menselijk bestaan sprake was. Wie daar geboren werd, wist dat hij nooit zou kunnen ontsnappen.

Ook Drift is grotendeels autobiografisch ('ik heb geen enkele verbeelding', aldus Calaferte). Als dertienjarige arbeider in een batterijenfabriek neemt de ik-persoon het besluit schrijver te worden. Hij heeft er geen idee van wat dat precies inhoudt, maar het betekent zijn redding uit de hel. Een allesoverheersende, onstuitbare leeshonger volgt. 'Ik wierp me op boeken', schrijft Calaferte, 'alsof ze me de sleutel van mezelf zouden moeten geven. Het lezen heeft geholpen om de angst te kalmeren (...) dat ik alleen maar een mislukkeling was.' Het taaie gevecht dat hij aanging om zich een uitgebreidere woordenschat eigen te maken verschafte hem 'een immense liefde voor woorden. Bijna lichamelijke liefde voor het beeld. Rijk. Vol. Vleselijk.'

Vergeleken bij de woorden van Calaferte zijn alle andere woorden kleurloos en nietszeggend. Zijn schreeuw komt uit zijn diepste innerlijk. Hij lijdt, hij strijdt, hij spuwt vuur, hij scheldt, hij braakt en hij spat uiteen van genot. In de loop der tijd is hij vergeleken met Louis-Ferdinand Céline, met Henry Miller, met Arthur Rimbaud. Het deed Calaferte allemaal betrekkelijk weinig. In zijn schaarse interviews - hij verachtte alles wat riekte naar macht, media en Parijse intelligentsia in het bijzonder - vertelde hij dat hij vaak de indruk had alleen maar een doorgeefluik te zijn. Zonder enig vooropgezet plan, onaangekondigd kon bij hem de inspiratie opkomen en de vorm aannemen van een heftige ontlading. Tijdens zo'n creatieve wervelstorm voelde Calaferte zich sterk en onkwetsbaar, volmaakt gelukkig. In zo'n periode zou ook de dood hem nooit te pakken kunnen nemen, wist hij. Daarna had hij geen enkele neiging zijn tekst te herzien of te bewerken. Het verklaart de ondefinieerbare aard ervan: soms meeslepend, soms onleesbaar, soms afstotelijk.

'In den beginne was het Geslacht'. Zo luidt de parafrase van de Bijbel in de versie van Calaferte. Het is het begin van Genesis, het eerste deel van Drift. 'De wereld gaat open als een reusachtige, brandende baarmoeder. De wereld is vrouwelijk, zoals de Schepping. En hoerig, liederlijk, als een wijfjesdier. Vader. Zoon. Geest. Heilige driehoek van de pubis. Het geslacht is koning. Overal heerst honger. Omknellen. Nemen.' De censor uit 1963 zal wegens deze vermenging van religie met pornografie nauwelijks verder hebben hoeven te lezen.

Overigens zal ook de hedendaagse lezer waarschijnlijk enige moeite moeten doen zijn verbijstering te overwinnen. Zwervend, uitgehongerd, seksueel gefrustreerd en op zoek naar een vrouw die hem kan onderhouden, werpt de ik-persoon zich op om, tegen betaling, de onuitputtelijke vleselijke lusten van de Hollandse Nora te bevredigen. Alleen wie over net zo'n immense seksuele obsessie beschikt als Calaferte zelf zal de eindeloze pagina's met smakeloze paringsverhalen kunnen waarderen. En alleen wie vrouwen net zo haat als Calaferte in zijn jonge jaren gedaan moet hebben, zal zijn vrouwenportretten in Drift zonder walging kunnen uitlezen. De vrouw, noteerde Calaferte in 1982 in zijn carnets, is 'afhankelijk is van haar vermogen tot verleiding, die bovendien maar tijdelijk is. Het is een houding die de vervolmaking van een intens innerlijk leven in de weg staat.'

Al was het dan alleen de man voorbehouden een volwaardig menselijk leven te leiden, ook de mysticus Calaferte slaagde er niet in de zo begeerde staat van verlossing en heiligheid te bereiken. In het derde en laatste deel van het boek, 'Gamma', beseft de ik dat hij ook met zijn scheppingsdrift de dood niet kan overwinnen. 'Elke keer weer daal je een nieuwe trede af in de je omringende duisternis', schrijft Calaferte, 'het mikpunt verplaatst zich, verdwijnt in het donker en de schrijver is pas echt zichzelf op de dag dat hij wanhopig inziet dat alles zich beperkt tot dat ene experiment van kortere of langere duur. De duur van een leven. Luchtspiegeling. Illusie.'