Hoe blaaswier dwerg wordt; De beeldende kunst in de boeken van Wim Hofman

Het boek 'Zwart als inkt', over Sneeuwwitje, van Wim Hofman is deze maand bekroond met de Woutertje Pieterse-prijs . Hofman herschreef het sprookje niet alleen, hij illustreerde het ook. Gesprek over de tekeningen en schilderijen van de auteur: “Wat ik schrijf begint altijd met een beeld.”

Wim Hofman, Zwart als inkt is het verhaal van Sneeuwwitje en de zeven dwergen Uitg. Querido, 1997. ƒ 37,50

Hoe teken je de mooiste vrouw ter wereld? Een schrijver heeft het makkelijk. Hij noteert gewoon: ze was de mooiste vrouw ter wereld. Dat doet Wim Hofman dan ook, in zijn deze maand met de Woutertje Pieterse-prijs bekroonde boek Zwart als inkt is het verhaal van Sneeuwwitje en de zeven dwergen:

' 'Ik ben mooi, hè?' zei de vrouw.

De spiegel zweeg.

'Ben ik niet erg mooi?'

Haar ogen fonkelden.

'Misschien ben ik wel de mooiste vrouw van de hele wereld?'

De spiegel kon niet knikken

anders had hij heftig geknikt.'

Maar Wim Hofman is meer dan een schrijver - of dichter, want de tekst in dit boek is zowel proza als poëzie, zoals zijn boeken zowel romans voor volwassenen zijn als jeugdliteratuur. Wim Hofman is ook beeldend kunstenaar, die tekeningen bij zijn boeken maakt. Dat deed hij al bij zijn eerste kinderboek, Welwel, de zeer grote tovenaar, dat in 1969 verscheen, en hij is het blijven doen.

Hij heeft geen kunstopleiding gehad. Hij tekende al van jongs af aan, als jongetje in Vlissingen. Omdat hij daar weg wilde, koos hij ervoor missionaris te worden, om een avontuurlijk leven in Afrika te leiden. Als 16-jarige kwam hij in 1955 op het Lavigrie-college in Santpoort terecht. Daar zaten jonge, moderne geestelijken, die hem Lucebert lieten lezen, hem stimuleerden muziek maken, en in aanraking brachten met moderne kunst. “Op mijn zestiende organiseerden we met de dichtersclub die ik met medestudenten had opgericht al een expositie van een arbeider van de Hoogovens in IJmuiden, die schilderijtjes maakte met rokende fabrieksschoorstenen,” vertelt Hofman.

Dat je én tekent, én muziek maakt én schrijft, is voor hem net zo normaal als het was voor dichter/schilder als Lucebert. “Ik las en bekeek veel boeken over kunstenaars, en bezocht als ik maar even kon een expositie,” zegt Hofman. Hij bestudeerde het werk van Paul Klee en Picasso in boeken. “Dan zag ik dat Klee experimenteerde met tekeningen, met lijnen van olieverf, en daarin dan weer met gouache schilderde. Dat probeerde ik dan ook, 's avonds. Of ik zag dat hij met uitgesneden vormen werkte, met sjablonen. Dat wilde ik ook. Met scheermesjes - het was in de tijd dat ik me begon te scheren - sneed ik vormen van dieren, draken en vissen uit. Met een opgevouwen zakdoek bracht ik de verf dan op.” Hij laat een map zien waar oud en nieuw tekenwerk in zit, en er komen druksels te voorschijn van scherp omlijnde monsters met een gazige verfhuid: de afdruk van zijn zakdoek uit 1955. Er is ook een schots en scheef geschilderde kikker in felgroene plakkaatverf bij, uit 1956. “Die heb ik in het donker geschilderd, het licht ging vroeg uit op de afdeling. Ik wilde wel eens zien hoe dat ging, tekenen in het donker.” Er zitten ook sterk grafische zwartwit-tekeningen bij, gemaakt in zijn favoriete medium, Oost-Indische inkt. Hoekige, symmetrische vormen, die doen denken aan versieringen die Afrikanen op beelden aanbrengen. Vaak zitten er uitgespaarde witte rondjes boven in zulke zwarte vormen: magische ogen, die de vorm leven geven. “Er waren op de opleiding ook paters die teruggekomen waren van de missie met Afrikaanse kunstvoorwerpen. Die vond ik erg mooi.”

Bezielde spijkers

Veel schilderijen van mensen zitten er niet bij. Hij tekent ze wel, maar ze zijn in de minderheid. Ze hebben vaak zichtbaar pijn, of zijn - zoals op zijn schilderij op het omslag van zijn boek Straf en andere verhalen - zichtbaar verwond, met schrammen. Grappige stripachtige poppetjes tekent hij ook wel, maar vaak komen die in een regenbui van spijkers of andere ellende terecht.

Maar ondanks dat is het net of het echte leven in het getekende werk van Hofman in de dingen zit. Neem de kromme, roestige spijkers uit zijn boek Het Vlot (uit 1989). Het zijn bezielde spijkers, dat kun je zien: ze hebben geleefd, geleden, er is op gemept, ze zijn weggeraakt en gaan roesten, maar ze worden door de twaalfjarige hoofdpersoon Wim opgepikt voor hergebruik. Voor de bouw van zijn vlot, waarmee hij weg wil varen uit zijn woonplaats Vlissingen, de wijde wereld in. Die waardeloze spijkers zijn in de ogen van de kleine Wim weer waardevol geworden. En door de manier waarop de volwassen Wim ze tekent, zie je ineens hun leven, wekken ze deernis op, als waren het kwestbare wezens, die zich staande moeten houden in een harde wereld. Leven betekent dat je klappen krijgt. Niet alleen voor een spijker.

Als iemand al met zoveel mededogen het leven van een spijker kan bekijken, wat moet hij dan wel niet voelen als hij een mens beziet? Dat is - om met de dwergen uit zijn boek te spreken - 'niet te schilderen'. Daarom schrijft hij over het leven van mensen, en tekent hij vooral over het drama dat hij in het leven van de dingen ziet.

Aangetaste en bezielde voorwerpen zijn constanten in het beeldende werk van Hofman. Het zijn aspecten uit de kunst van de experimentelen (die net als surrealisten graag met waardeloze, gevonden voorwerpen werkten) en de Afrikaanse magische kunst (geesten in voorwerpen), die volledig bij Hofmans karakter passen.

Zijn werkkamer oogt keurig opgeruimd als we er binnenkomen, maar als hij vertelt over zijn werkwijze, over de vormen die hem inspireren, komen overal doosjes met gebarsten stenen, roestige schroeven, schelpen en merkwaardig kromgegroeide, verweerde boomwortels tevoorschijn. In een mum ligt het vol met schatten, vaak gevonden aan het strand van Vlissingen, waar hij sinds 1971 weer woont. Missionaris mocht hij van de paters niet worden, ze vonden hem te eigenzinnig. Hij gaat toch naar Afrika, maar keert snel terug.

Het zijn door zee, weer en wind aangevreten voorwerpen, en dat ze een leven hebben gehad, zie je, als Hofman ze je stuk voor stuk toont. Hij pakt een scherf van aardewerk, porselein, met een blauwe versiering, met afgebrokkelde randjes: “Mooier dan de hele schaal,” zegt hij. Zulke voorwerpen zetten hem aan om al tekenend of schrijvend, die dingen nieuw leven in te blazen. Dat is een continu proces, zegt hij - en voegt daar verbaasd aan toe: “Iedereen doet dat toch?” Iedereen pakt aan het strand wel eens een mooie schelp of steen op, maar als die op de parkeerplaats niet al weggegooid wordt, raakt die snel zoek. Of verdwijnt bij uitzondering in een laatje - en wordt vergeten. Niet bij Wim Hofman. Hij laat schriften zien, vol aantekeningen. Geschreven invallen, maar ook schetsjes, abstracte vormen, motiefjes als op de schaalscherf, die een paar keer herhaald, met kleine veranderingen ineens 'iets' worden. Of schetsjes van dingen die hij gevonden heeft, met toevoegingen: een vorm van een steen met een rondje erop, wordt een kop, een wezen met een oog.

“Zo ben ik ook aan de vormen van dwergen gekomen in het Sneeuwwitjeboek,” vertelt hij. Hij trekt een laatje open.

Daaruit komen twee aan het strand gevonden stukken blaaswier, van die donkere, groengrijze eivormpjes, met aan de boven en onderkant een sliert droog wier. Hofman heeft er een paar oogjes op geschilderd, alsof het Afrikaanse maskertjes zijn. En ineens zijn het wezentjes met een puntmuts, of een lange staart haar. “Zodat ze makkelijker de hemel in getrokken kunnen worden: Afrikanen laten daarom soms een staart groeien,” weet Hofman. En op slag herken je de kopjes van de dwergen Um, Dwim, Driem, Vurg, Phuuf, Seinx en Zvem, die in Hofmans Sneeuwwitje-boek Zwart als inkt voorkomen. Vlissingse strandvondsten en Afrikaanse magische kunst komen samen in de vorm van deze dwergen.

Wurglint

Het boek zit vol met zulke, prachtig zwartwitte, sterk grafische beelden. Ze zijn getekend op 'schraapkarton', ivoorwit karton, waarover een laag inkt zit. Dat je met een mesje wegschrapt, tot de tekening overblijft. Er staan vooral dingen en dieren in: slangen, schelpen, een mes met een bloedgeul, en ook het wurglint, waarmee de boze moeder van Sneeuwwitje haar dochter, die mooier is geworden dan zijzelf, de eerste keer probeert te doden. “Kijk”, zegt Hofman, en hij draait het boek een kwartslag, “Dat wurglint heeft ook de vorm van een figuur gekregen. ” En inderdaad, je ontdekt een hoofd, buik, achterste en benen in het gekronkelde lint.

“Eigenlijk is dit Sneeuwwitje-boek helemaal niet geïllustreerd in de traditionele zin van het woord,” zegt Hofman. “Sneeuwwitje staat er niet in. En haar moeder ook niet.” Ik wijs de illustratie van de doodskist aan die de dwergen maakten. Daarop zie je Sneeuwwitje, met haar inktzwart haar, lippen rood als bloed, en een gezichtje wit als maagdelijke sneeuw. “Dat is de afbeelding die de dwergen op de kist schilderden,” verduidelijkt Hofman met een glimlach. Op die manier, zegt hij, omzeilde hij de levensgrote vraag: 'Hoe teken ik de mooiste vrouw van de wereld?'. “Dat leek me ondoenlijk. De koningin is in het begin van het boek de mooiste. Dan wordt Sneeuwwitje dat. Daarna blijft haar moeder ondanks ouderdom en bitterheid nog steeds heel mooi - hoe zou je dat dan moeten tekenen?” Hij vindt dat de tekenaars van Walt Disney, voor hun klassieke tekenfilmversie van Sneeuwwitje het verschil tussen de mooie moeder en de afgrijselijke heks waarin ze verandert, veel te groot hebben gemaakt. Hofman beschrijft die veranderingen realistischer: de koningin blijft, nadat ze haar gruwelijke bevel tot de moord op Sneeuwwitje heeft gegeven, mooi. Met rimpels en kraaienpootjes, maar toch nog mooi.

Ook op het omslag van Hofmans bekroonde boek staat Sneeuwwitje niet afgebeeld. Hij schilderde de tafel en stoel waaraan Sneeuwwitje zat en in haar peilloze eenzaamheid briefjes schreef. Aan de dingen om haar heen, aan haar moeder, aan God. De briefjes worden natuurlijk nooit beantwoord. Op de tafel liggen een pen en een gedoofd kaarsje, en de brief waarop Sneeuwwitje blijkbaar haar moeder heeft getekend, schematisch, een harig kopje en een lijfje met twee tietjes, en er een kras heeft doorgezet.

Ook het schilderij voor het boekomslag is, zoals alle schilderijen van Hofman, bewerkt met een mesje, pen of naald. Geen schilderij of er wordt in de verfhuid gekrast, zoals er op een primitief Afrikaans beeld tekens worden gekerfd. “Het moet een beetje kapot, zelfs als er vrolijke kleuren opzitten,” zegt Hofman. Dat begint al met het materiaal waarop hij schildert: dat is zelden een vers, kraakhelder schoon stuk linnen. Het zijn aangespoelde planken, toevallig overgebleven, afgescheurde stukken karton. En dat bewerken met een mes van de verfhuid, maakt een schilderij zeker levendiger, interessanter. Het schilderij heeft zichtbaar geleden - dus geleefd. In haar 'Brief aan de wortelen' laat Hofman Sneeuwwitje het zo zeggen: Beste wortelen!/ Wat zien jullie er mooi uit./ Hoe oranje zijn jullie!/ Dadelijk leg ik mijn pen weg./ Dan pak ik een mes uit de la/ en dan hak ik, hak ik, hak ik,/ hak ik jullie in stukjes./ Dat hadden jullie niet gedacht, hè?/ S.

Het merkwaardige is dat die afwezigheid van portretten van Sneeuwwitje en haar moeder helemaal niet storen bij het lezen - en het bekijken - van Zwart als inkt. Dat komt ook omdat Hofman realistische en gruwelijke beschrijvingen geeft van de angsten van Sneeuwwitje, als ze bijna vermoord wordt, en als ze alleen door het bos dwaalt. Hofman maakt ze voelbaar, die eenzaamheid, het onbegrip over de haat van moeder. Je begrijpt dat Sneeuwwitje bewust de hap van de giftige appel neemt, die haar moeder-moordenares haar aanbiedt: ze wil ontsnappen aan het leven dat tot dan voor Sneeuwwitje een hel is.

Uit een van die briefjes, die de prins later doorleest, de brief aan God, blijkt zelfs in een P.S. dat Sneeuwwitje overwogen heeft zelfmoord te plegen. Ze schrijft: Almachtige God, ik heb gehoord dat je alles gemaakt hebt: a. de wereld/ b. het bos (-) d. dit papier waarop ik schrijf en de inkt van roet en bloed en water em de pen die ik sneed uit een takje. (-) P.S. Wat vind je, zal ik naar je toe komen?

In dit dramatische briefje komen de drie kleuren die een hoofdrol spelen in het boek aan bod: wit, rood en zwart. Het wit van het briefpapiertje, het zwart van de inkt, waarvan het rode bloed bestanddeel is.

Onschuldig kind

De hele structuur van Hofmans Sneeuwwitje is in die drie kleuren uit te drukken, vertelt hij. Allereerst is er het wit, dat staat voor het romantische idee van het onschuldige kind, dat eigenlijk buiten het leven staat. Het rood staat voor het leven, en dat daarin klappen vallen en bloed vloeit is onvermijdelijk. Net zoals de dood, het zwart, onvermijdelijk is, vandaar dat rood en zwart ook veel vermengd worden (zie de inkt in de brief hierboven). Pas als Sneeuwwitje afstand doet van haar kinderlijke, blanke onschuld, en het leven accepteert in de vorm van de rode appel die haar moeder (met roodgeverfde haren) haar aanbiedt, begint het leven voor haar pas echt, hoewel ze als blanke onschuld eerst dood lijkt te gaan. Als Sneeuwwitje de hap van de appel neemt, gebeurt er dit: '(-) De wereld sloeg om/ als een bladzijde van een boek./ 'O, moeder!' zei ze en ze gleed/ weg in een zee van bloed en inkt.'

“Eigenlijk is het in dit sprookje net andersom dan in het verhaal over het Paradijs,” zegt Hofman, “Daar begint de ellende als Eva in de appel bijt. Bij Sneeuwwitje is de ellende dan voorbij.”

Dat die zogenaamde fijne, onschuldige kindertijd een fabeltje is, is eigenlijk het thema van de meeste van Hofmans boeken, zoals Wim (1976) of Het vlot (1988) over zijn jeugd in Vlissingen, of Straf en andere verhalen (1985). 'De kinderwereld is niet het vrolijke, kleurrijke, avontuurlijke, pijnloze wereldje zoals zoveel volwassenen dat zien (en zoals al menig keer beschreven is)' zei hij bij de aanvaarding van een eerdere kinderboekenprijs, de Nienke van Hichtum-prijs in 1977, voor Wim.

Tot hij aan Sneeuwwitje begon, omstreeks 1991, waren de twee kleuren die in zijn schilderijen en tekeningen overheersten wit en zwart. “Ik vond rood wel een mooie kleur, maar kon er niet goed mee werken.”

Hij trekt een doos tevoorschijn met kartonnen vol schilderijen - onder andere van mislukte schilderijen van de zee met rode plakkaatverf. Zeeën schilderen met zwart en wit zijn voor hem geen probleem. Grote formaten karton schildert hij er mee vol. “Het is rustgevend. Eerst schilder ik woorden, die in me opkomen met inkt, en daaruit ontstaan dan langzaam golven, waarover ik met wit weer schuim schilder.” De woorden als aanzet geven structuur aan de schildering, zoals omgekeerd zijn verhalen vaak beginnen met herinneringsbeelden. “Beelden in mijn hoofd heb ik in overvloed. Het probleem is bij mij altijd meer: het verhaal structuur geven. Daarom werk ik graag met sprookjes. Daar heb je al een dramatische verhaal, dat je zelf kan bewerken, van eigen beelden kan voorzien.”

Het idee om zich Sneeuwwitje toe te eigenen ontstond ook uit één beeld: tijdens een vakantiewandeling in Normandië zag hij een boom, waar de bladeren af waren, maar waaraan nog rode appels hingen te rotten. Zwarte kraaien kwamen er van eten. Hofman nam zo'n appel mee, en begon die te schilderen. Hij laat een klein, prachtig naturalistisch schilderijtje zien van een rood appeltje met rotte zwarte plekken. Het lijkt te zweven. Dat beeld was het begin voor het boek en het voegde een nieuwe kleur toe aan Hofmans palet, zodat hij nu ook op een plank die hij vond het verhaal van Roodkapje kon schilderen. Die begint met een stukje zwart, de nacht. We zien Roodkapje slapend in bed, de pop onder haar bed slaapt ook. Beiden hebben de oogjes toe. De lamp in haar kamer is uit. Dan zien we hoe ze in haar rode jakje op pad gaat, verslonden wordt door de wolf en ontsnapt uit de bloederig rode buik van de wolf. Het laatste plaatje laat opnieuw Roodkapje zien, in bed. Ogen rond, wijd open. Ook het popje staart in de donkere nacht. De lamp in de kamer moet aanblijven. Want buiten heerst, gruwelijker dan voorheen de nacht. Inktzwart.