Het schuldgevoel groeit met de jaren; Gesprek met acteur Ton Kuyl

Hoewel acteur Ton Kuyl de zeventig gepasseerd is, staat hij nog op het toneel. Zoals vanavond, bij de première van 'Rouwklacht' bij De Trust in Amsterdam. “Het verlangen bepaalde rollen te spelen, het gejaag achter seks aan - ik moet er niet meer aan denken.”

Rouwklacht van Wallace Shawn door De Trust. Regie Theu Boermans. In het Trusttheater, Amsterdam. Inlichtingen (020) 520 5310. De voorstelling reist door het land van 21 april t/m 29 mei.

Het is achteraf nog niet gemakkelijk om na te gaan waarom hij direct over de oorlog begon. “De oorlog is een 'grote fascinatie' voor me”, zei hij enigszins geëmotioneerd. “Bij mij viel het muntje pas in 1944. Niet alleen bij mij, hoor, maar toch, het knaagt. Ik was negentien toen de oorlog begon, kwam uit Hilversum naar Amsterdam, een nieuwe omgeving, we hadden het druk met pret maken. We waren op de toneelschool, en vierden feest, Ellen en Albert Vogel, Lous Hensen, Ton Lutz en ik. En die oorlog - nou ja, een paar joodse meisjes waren van school weggestuurd: we hadden het voor kennisgeving aangenomen. Pure ego-tripperij.

“Blijkbaar gedragen mensen zich zoals ik gedaan heb, en blijkbaar groeit het schuldgevoel dan met de jaren.”

'Blijkbaar'- terugkijkend op zijn leven gebruikt de acteur Ton Kuyl (Batavia, 1921) het woord zo vaak, dat hij er op het laatst zelf van in de lach schiet. De oorlog kwam meteen ter sprake, omdat hij zei 'blijkbaar' een zwak te hebben voor toneelstukken die erover gaan. Leedvermaak en Rijgdraad, beide van Judith Herzberg, had hij genoemd als ensceneringen van regisseur Leonard Frank die 'bepalend voor me zijn geweest'. En dat had hij weer opgemerkt, omdat ik hem een compliment maakte voor zijn spel, begin van dit seizoen, in Franks voor het overige kleurloze enscenering van Als de bladeren in Vallombrosa, van de Zweedse schrijver Lars Norén. Hij liet er een grimmig soort overstoorbaarheid in zien. Ja, blijkbaar ben je daar toe in staat op zijn leeftijd.

“Dingen overkomen mij,” zegt hij als we zijn lakonieke manier van reageren bespreken. “Ik ben niet het type dat sturend moet gaan optreden, dat staat ook in mijn horoscoop. Mijn leven en carrière zijn een ratjetoe, er zit niets planmatigs in. Wat ik wilde, kreeg ik niet - ik wilde trouwens niet zo veel - waar ik niet speciaal op uit was, kwam op mijn weg. Daar kwam ik al vrij vroeg achter. De leeftijd die ik nu heb, bevalt me dan ook goed. Het willen, dat vaak alleen maar tot frustratie leidt, heeft plaats gemaakt voor ontvankelijkheid. Het verlangen bepaalde rollen te spelen, het gejaag achter seks aan - ik moet er niet meer aan denken.”

Af en toe staat Kuyl weer op het toneel, een paar jaar geleden in Jean-Claude Breisville's Antichambre, en dit seizoen behalve in Noréns Als de bladeren in Wallace Shawns Rouwklacht, dat vanavond in de regie van Theu Boermans in Amsterdam in première gaat bij De Trust.

In de grote klassieke stukken of tragedies heeft hij niet of nauwelijks gespeeld. Vlak na de oorlog was hij verbonden aan het Volkstoneel, waar hij een bekroonde rol van Rashkolnikov in een bewerking van Schuld en boete speelde. Daarna werkte hij vijf jaar in Parijs, dank zij een beurs van het Maison Descartes, verkregen via aanbevelingen van Charles Dullin en Jean-Louis Barrault. “Met één rol kun je in zo'n land natuurlijk wel langer voort. In Maître après Dieu, Jan de Hartogs Schipper naast God, heb ik twee seizoenen gestaan.” Hij speelde met Ludmilla Pitoëf in Le vrai procès de Jeanne d'Arc, gebaseerd op historische documenten.

Picasso

Het overkwam hem, Parijs. Hij belandde in mondaine kringen, à la Proust van de ene jour naar de andere snellend. Omdat zijn naam in Franse oren de lachlust opwekte ('Ton Cul'), noemde hij zich Marc Vanclair; de schilderes Marie Laurencin, vriendin van Picasso, portretteerde hem in 1952. Tien jaar geleden verkocht hij het werk. Met de opbrengst legde hij een kunstverzameling aan.

Hij keerde in 1955 terug naar Nederland vanwege de ziekte van zijn moeder. Was verbonden aan De Nederlandse Comedie, Toneelgroep Centrum en bijna alle andere gesubsidieerde gezelschappen. In de jaren zeventig, aan Theater van Elise Hoomans in Arnhem. Daarna volgde een free-lance bestaan met als hoogtepunt stukken van Ayckbourn met onder anderen Henny Orri en Ton van Duinhoven en Ina van Faassen. Tussendoor deed hij 'ongelooflijk veel' televisiewerk, met name series als De Kleine Zielen en Stille kracht, naar Couperus. In De Kleine Zielen was hij Ernst, 'de gekke broer, wat ik prettig spelen vond.'

Wat hij betreurt is dat hij slechts twee keer, beide keren in De Meeuw, in een Tsjechov heeft gespeeld. “Tsjechov en Ayckbourn zijn volgens mij verwante schrijvers. Zonder effectbejag tonen ze het feilen van mensen. Het is toch zeker leuk dat je mensen met al hun roteigenschappen op toneel kunt zetten? En zonder te psychologiseren. Dat vind ik de grote verworvenheid van het Nederlandse toneel: de overwinning op de psychologie. Mij werd nog ingeprent dat alles wat een personage doet logisch moet zijn, maar zo zit het natuurlijk niet. Mensen bestaan niet uit oorzaak en gevolg, ze handelen niet consequent.”

Na zijn pensionering heeft Kuyl lange tijd niets gedaan, vanwege een uitputtende ziekte. In die tijd begon hij kunst te verzamelen: “Dit hier om me heen is belangrijk voor me”, zegt hij, wijzend naar de werken van onder anderen Raveel, Verkerk, Lucebert, Heyboer en Armando aan de wanden van zijn woning aan een Amsterdamse gracht. “Ik heb er nu weer geen tijd voor om tot een eventuele nieuwe aankoop over te gaan. Dat vergt al mijn aandacht, omdat een schilderij me in bijna meditatieve zin moet aanspreken.”

“Ik kom uit een esoterisch nest”, zegt hij. “Ik werd opgevoed in vrij-katholieke, theosofische sferen, waarin ook de vrijmetselarij nog een rol speelde. Niet religieus maar in het bewustzijn dat er stille krachten waren. Het Indische leven - we woonden tot mijn elfde in Bandoeng - was zeer aan mij en mijn moeder besteed. Ons huis had tot wij erin trokken lange tijd leeg gestaan en dat was niet voor niets zo. Ooit had iemand er zelfmoord gepleegd en het was dan ook een goena-goena-huis. Ik hoorde altijd zuchten op mijn slaapkamer en mijn moeder is er jarenlang ziek geweest.”

Het gezin keerde terug naar Nederland vanwege de scheiding van Kuyls ouders. “Ik zie nog voor me hoe we arriveerden op het bovenhuisje van mijn grootouders in de Haarlems Ripperdastraat: ik dacht dat ik gek werd. Mijn grootmoeder was een lieve schat, maar ik begreep eenvoudig niets van mijn nieuwe omgeving.” Zijn moeder moest met allerlei baantjes de kost zien te verdienen. “Het was een adembenemend en ontroerend beeld hoe ze op het station in de kiosk sigaretten zat te verkopen.” Ze stierf jong.

LSD

Eind jaren zestig leefde hij in een roes. Maakte deel uit van de Leidsepleiners die lustig experimenteerden met geestverruimende middelen. “Ik had het voor geen goud willen missen, hoewel het mijn reputatie in de toneelwereld geen goed deed. De LSD heeft me bevrijd van mezelf, leerde me dat het normale contact tussen mensen niet meer dan het topje van de ijsberg is. Ik werd in zekere zin blanco: in mij, ontdekte ik, zijn vele mogelijkheden. Niet slecht om dat te ontdekken, voor een acteur.

“Later, door die darmkwaal, ben ik in aanraking gekomen met za-Zen, de belangrijkste spirituele stroming die ik ken. Je hoeft niets te doen dan gewoon zitten en “leeg” worden, los proberen te raken van het ego. Dat is het moeilijkste dat er is. Ik heb ondervonden dat er een enorme energie vrijkomt, zonder dat ik het ultieme doel ooit bereikt heb, uiteraard. Ik ben niet vrij van mijn ego, ben nog steeds ook ijdel en sta dus nog op toneel. Al ben ik meer beschouwer geworden van mijn leven, ik ben er nog steeds onderhevig aan. Ik vraag me trouwens ook af wat je met die door meditatie vrijgekomen energie nog kunt doen - wie leeg is, is niet creatief meer. Creativiteit is toch zoiets als de parel die een ziekte is van de oester.”

Al staat hij zelf niet vaak meer op het podium, Ton Kuyl volgt het toneel op de voet. “Ik heb de horizon zien veranderen, op verbluffende wijze. Aan weer een nieuwe visie op een klassiek stuk heb ik niet zoveel boodschap. Dat blijft toch iets voor een workshop. Aan een goed klassiek stuk, Ibsen met name, valt weinig te veranderen zonder het slechter te maken. Maar er zijn nu verschrikkelijk veel erg goede acteurs. In mijn tijd had je in die orde Ko van Dijk, Han Bentz van den Berg en Albert Van Dalsum, Paul Steenbergen en Ida Wasserman - dat waren moderne toneelspelers, die toen al toonden dat pathos en kwaliteit niet hetzelfde waren. Over de goeie, ouwe tijd zul je mij dan ook niet horen. De intensiteit op toneel is zoveel groter nu, de Schmiere bestaat niet meer.”

Kuyl bezoekt de voorstellingen altijd met deze of gene collega. “Voor veel mensen ben ik een vertrouwenspersoon, altijd geweest. Zelfs in de oorlog namen mensen die in het verzet zaten of onderduikers hadden, me in vertrouwen - blijkbaar zonder dat dat me aanspoorde om ook daden te stellen. Maar kennelijk ben ik goed gezelschap en aangenaam om naar te kijken! Blijkbaar! Ik spreek in elk geval niet snel oordelen uit. Bejaard als ik nu ben, stel ik vast nog steeds niets te weten. Je verwerft wat inzichtjes, maar veel stelt het niet voor.”

    • Pieter Kottman