Gorter in de Jugendstil-wc; Decadente epiek van Th. van Os

Th. van Os: Berliner Lullaby. De Arbeiderspers, 73 blz. ƒ 34,90

In januari 1971 zette een Amsterdamse drukker halverwege de productie van het literaire tijdschrift Soma resoluut zijn persen stil. Bij controle van de eerste afgedrukte vellen was zijn oog op een gedicht van T. Graftdijk gevallen, en de inhoud van dat vers had zijn fatsoen getroffen. Pas na lang soebatten van de redactie kwam Soma 13, mét Graftdijks plastische beschrijving van een masturbatiescène, alsnog van de pers.

Ik, Jan Cremer was toen al zeven jaren lang een bestseller, maar voor poëzie gold een andere moraal dan voor proza. Verzen over erotiek waren veeleer verbloemend dan bloemrijk. Zo niet, dan verschenen ze heimelijk, in een zeer beperkte oplage, zoals gebeurde met de priapeeën van Saul van Messel (een pseudoniem van de vader van Ischa Meijer). Toen Thomas Graftdijk in 1976 een serie liederlijke liefdesgedichten openlijk publiceren wilde, kreeg hij dan ook nul op het rekest. Uitgever Johan Polak stuurde de scabreuze tekst voorzien van tientallen kanttekeningen - variërend van 'bah' tot 'weerzinwekkend' - retour en eiste het betaalde voorschot terug. Elders in de grachtengordel heerste gelukkig een minder kuis regime. Een jaar later verscheen Graftdijks even virtuoze als rancuneuze scheldkanonnade van een hoorndrager ongewijzigd als Treurarbeid bij De Arbeiderspers.

Is de moraal van poëzielezers inmiddels wat weidser? Ik hoop het maar, al was het slechts omdat nu bij dezelfde Arbeiderspers Berliner Lullaby van Th. van Os is verschenen. Dit homo-erotische wiegelied tart het ethische uithoudingsvermogen als geen eerder in Nederland gepubliceerd dichtwerk, maar is te authentiek om onbesproken te blijven. Th. van Os debuteerde in 1996 als dichter met Beurtzang. Hoewel de inhoud niet uitsluitend decadent was, liet de poetica van deze bundel zich samenvatten in de slotregel van het titelvers: 'een goede beurt is ook een goed gedicht.' Hans Warren sloot hier gretig bij aan en stelde in het Utrechts Nieuwsblad dat deze regel gelezen moet worden als het adagium dat poëzie een even opwindende ervaring hoort te zijn als seks. De Arbeiderspers plaatste deze verklaring als aanprijzing op de flap van Berliner Lullaby.

Zo'n ranzige aanbeveling gaat voorbij aan de kwaliteit van het dichterschap van Van Os. Verontrustender dan de inhoud van Berliner Lullaby is immers de beschaafde vorm waarin die gegoten werd. In negen hoofdstukken etaleert dit lange epische gedicht alle denkbare facetten van herenliefde in het nachtelijk Berlijn. De stijl is echter als die van Herman Gorter in Mei of - congruenter in de controverse tussen vorm en inhoud - Een klein heldendicht. Gorter koos voor het gepaarde rijm en Van Os rijmt gekruist, maar voor het overige waan ik mij als lezer van Berliner Lullaby vaak in de sensitieve sfeer van de Tachtiger. Die herkenning is er al in de ouverture op de eerste twee pagina's. 'Een oostenwind doorsnijdt de stad' en het gaat sneeuwen. Dan volgt de passage die hiernaast in kader is geciteerd.

Onmiddellijk na deze 'Natureingang' begint het echte werk met een onverbloemde beschrijving van transseksuele tippelaarsters in de Berlijnse Friedrichstrasse. Bij alle gruwel roept dit eerste deel van de zedenschets nog deernis op, maar als Van Os in het tweede hoofdstuk de vernederingen van een 'spuithoer' in de Jugendstil-wc op de Nollendorferplatz in kleuren (pisbakgeel) en geuren (drek en drab) bezingt, slaat het mededogen om in weerzin.

Fascinerende weerzin. Berliner Lullaby is een illusieloze, maar wervelende parade van dromers, gelukjagers, al dan niet verslaafde hoerenjongens, debutanten, ledermannen, nachtprinsen, potenrammers en burgertrutten. Het decor verschuift per hoofdstuk, en daarmee veranderen ook de sfeer en toonzetting. Na de tippelbaan en het openbaar toilet plaatst Van Os zijn personages en lezers met wisselende verve in een disco, rendez-vous-bar, jongenskamer, darkroom, sauna, priesterbrein en herenslaapkamer.

In elk van deze ruimtes toont de dichter zich een haarscherp observator. Dat leidt tot verrassend visuele passages, zoals die waarin de lichaamstaal van twee jongens in een sauna in beeld is gebracht. 'Hun vingers lopen uit om te gaan vrijen,' schrijft Van Os, 'en zienderogen een begin te maken, / hoewel ze nu de andere kant op kijken.' En dan volgt een cabaratesk ogenballet, dat zowel verkenning als voorspel is:

Eerst kijken of hij kijkt, en als hij kijkt meteen, maar niet te lang, zijn blik ontwijken, dan even blijven kijken als hij kijkt, daarna een tijd elkaars gekijk ontwijken, maar dan steeds langer elkaar aan blijven kijken, - al kan hij het niet laten, als hij kijkt, steeds korter toch zijn blik weer te ontwijken - dan pas iets doen, terwijl elk eerst niet kijkt.

De sneeuwstorm die Berliner Lullaby zeventig pagina's in zijn greep houdt is méér dan weerbericht een spiegel van de rusteloze ambities, zorgen en schuldgevoelens van het homo-proletariaat. Bij de portrettering van de personages is geen poëtisch middel geschuwd. Zelfs de homerische vergelijking wordt door Van Os gehanteerd.

Het effect van deze klassieke vormbeheersing is dat de tragiek theatrale proporties krijgt. Maar ook deze tragedie heeft een catharsis. Zoals het gedicht met de eerste sneeuwval begon, zo eindigt het met de laatste vlokken. En in rust, wanneer ook in de slaapkamer van het oude jongenspaar de lamp wordt uitgeknipt.

Berliner Lullaby is een controversieel, maar poëtisch overtuigend epos. Het is te hopen dat dit boek niet het lot van Graftdijks Treurarbeid gaat delen. Het merendeel van de oplage van die bundel belandde bij De Slegte en verstoft nu ook daar op de planken. Van Os verdient meer succes. De eerste tekenen voorspellen echter weinig goeds. De jury van de VSB Poëzieprijs deed haar werk vast grondig, maar vergat Berliner Lullaby te nomineren.

Uit: Th. van Os, Berliner Lullaby

De voegen in de stoepen kleuren wit, de tegelhoeken lichten langzaam op, zoals verlangens groeien en bezit, en even plotseling verliezen ze hun kop omdat ze dan weer blootstaan aan een wind die onberekenbaar zijn vaart versnelt, gaat liggen, plotseling opnieuw begint en zwepend weer een ordening herstelt. Steeds mooiere patronen veegt hij over het asfalt heen, met lijnen die veranderen, als stuifzand op een strand waar als door tover de stromen zich verenigen, meanderen, weer samenvloeien of nog meer vertakken en als een nevel met de wind meekolken vlak boven de wirwar van lijnen en vlakken tot land en lucht in eendracht samenwolken.