Georges Bataille (1897-1962); De dingen zijn zonder uitweg

Georges Bataille: Choix de lettres 1917-1962. Édition établie, présenté et annoté par Michel Surya. Gallimard, 611 blz. (ƒ 95,-).

Brieven van beroemde schrijvers, mits postuum gepubliceerd, appelleren aan de voyeur in de lezer. Altijd leeft stiekem de hoop dat de intimiteit van het briefverkeer zal prijsgeven wat het publieke werk verborgen heeft gehouden. Hieruit spreekt een hardnekkig wantrouwen jegens de literatuur, een heimelijke onwil om het spel als haar hoogste waarheid te accepteren. Tegelijkertijd zijn we teleurgesteld als de correspondentie niet beantwoordt aan de verwachtingen die door het werk zijn gewekt.

Bij sommige schrijvers is de deceptie welhaast onvermijdelijk.

Wat zou Georges Bataille (1897-1962) in zijn brieven hebben moeten schrijven om zijn lezers tevreden te stellen? Zijn oeuvre staat in het teken van de overtreding en het exces, zijn filosofische essays getuigen van een vaak uitzinnig extremisme, veel van zijn romans en verhalen doen voor de meest schokkende pornografie niet onder. Het enige wat we misschien nog zouden willen weten is in hoeverre Bataille alles wat hij bepleit en wat hij zijn personages laat verrichten ook zelf heeft gedaan.

In de bijna vijfhonderd brieven die Bataille's biograaf Michel Surya in Choix de lettres 1917-1962 heeft bijeengesprokkeld komen we er niet achter. Alleen in zijn voor publicatie bestemde teksten blijkt Bataille geen prijs te stellen op discretie; tegenover zijn correspondenten neemt hij zich vrijwel steeds in acht.Hij is hoffelijk, zakelijk, wanhopig, dankbaar, klaagt over ziekte en geldgebrek, zet zijn politieke standpunten uiteen, organiseert, complimenteert anderen met hun werk, zegt welke boeken hij zich voorneemt te schrijven en meldt de - vaak moeizame - vorderingen. Maar van een blik in zijn intieme huishouding is nauwelijks sprake.

Het meest onthullend zijn nog de vroegste brieven uit de laatste jaren van de Eerste Wereldoorlog, gericht aan een zekere Jean-Gabriel, van wie Surya de achternaam niet heeft kunnen achterhalen. Niet de gedreven erotomaan van het latere werk komen we er tegen, maar een vrome jongeman die aarzelt tussen een priesterroeping en een eerbaar huwelijk. Van geen van beide komt iets terecht. Tijdens een retraite laat hij zich door de Jezuïeten ervan overtuigen dat het priesterschap niets voor hem is, het huwelijk wordt verijdeld door de vader van het meisje, uit vrees voor de syfilis waaraan Batailles vader is overleden.

Danseres

In de volgende brieven (uit de jaren twintig) is de religieuze hartstocht alweer verdwenen. Aan een nichtje schrijft hij uit Spanje over een danseres die op een 'panter' lijkt, en hij weet zeker dat zo'n 'diertje' een bed in vuur en vlam zal kunnen zetten. Hij is begonnen aan een roman 'in de stijl van Proust' en droomt ervan naar Tibet te gaan, waar mooie vrouwen meerdere echtgenoten tegelijk mogen hebben. Het wordt Parijs, waar hij als bibliothecaris bij de Bibliotèque Nationale gaat werken, Nietzsche en Freud ontdekt, het bordeel frequenteert en met het surrealisme in aanraking komt.

Brieven uit deze periode zijn er nauwelijks. Alle kennis komt uit de biografie (Georges Bataille, La mort à l'oeuvre) die Surya in 1987 heeft gepubliceerd, en Surya baseert zich weer op uitspraken in het werk. Beter gedocumenteerd zijn de jaren dertig, toen Bataille een revolutionair engagement cultiveerde in de 'strijdgroep' Contre-Attaque, het geheime genootschap Acéphale en het Collège de Sociologie, waarin hij samen met Michel Leiris en Roger Caillois streefde naar een nieuwe 'pouvoir spirituel'. Ook zien we hem in een brief aan Raymond Queneau plannen maken voor een 'universele geschiedenis' die zij gezamenlijk zullen schrijven. 'Het beste zou zijn in tien of twintig bladzijden, het meest praktische in twee- of driehonderd bladzijden', schrijft Bataille, die aankondigt China en India wel voor zijn rekening te willen nemen.

Zo makkelijk gaat dat blijkbaar. Wat de zaak overzichtelijker maakt is dat Bataille in deze jaren overtuigd is van het 'einde van de geschiedenis'. Net als zoveel andere prominente Franse intellectuelen heeft hij de colleges gevolgd van de Russisch-Franse filosoof Alexandre Kojve over Hegels Phänomenologie des Geistes, waaruit hij naar eigen zeggen meer dan eens 'gebroken' vandaan is gekomen. Kojves drieste stelling wordt zijn uitgangspunt.

In een schitterende brief (eerder gedeeltelijk gepubliceerd in Le Coupable, maar hier voor het eerst integraal afgedrukt) noemt hij de 'open wond die mijn leven is' dé refutatie van Hegels gesloten systeem; zichzelf omschrijft hij als een 'negativité sans emploi'.

Elke actie ('negativiteit' volgens Hegel) mag dan zinloos zijn, Bataille is niet van plan bij de pakken neer te zitten: juist het zinloze, dat wat zich in geen enkel systeem laat invoegen (de destructie, de erotische obsceniteit, de fysieke opwinding, de lach, de angst en de tranen), zal de inzet van zijn werk en van zijn daden worden.

Het meest nieuwsgierig was ik naar het geheime genootschap Acéphale, waarover wilde verhalen de ronde doen. Bataille zou van de leden een 'onherstelbare' daad hebben verlangd en gesuggereerd is dat daarmee een mensenoffer werd bedoeld. Ook heeft men wel gespeculeerd over het slachtoffer. Dat had Colette Peignot moeten worden, de minnares (een van de vele) met wie Bataille sinds 1934 samenwoonde. In de correspondentie zit wel een briefje aan Leiris naar aanleiding van haar overlijden (zij stierf in 1938 aan tbc), maar over het geheime genootschap geen woord. Al even tantaliserend is de vermelding - tien jaar later - van een Histoire d'une société secrète, een van de vele boeken die in de brieven worden aangekondigd maar helaas ongeschreven blijven.

Kloosterbestaan

Tijdens de Tweede Wereldoorlog wordt Bataille zelf getroffen door tuberculose. Aan het politieke engagement is dan al een eind gekomen. Aan zijn vriend Patrick Waldberg schrijft hij eind 1939 een 'soort kloosterbestaan' te voorzien, een streven naar 'het uiterste van de mystieke ervaring, dat wat de erotische ervaring vereist van een mens die niet versuft'. Erotiek en religie zijn voor Bataille altijd nauw met elkaar verbonden geweest. In één van zijn religieuze jeugdbrieven heeft hij het over een 'vreugde die mij overstijgt en breekt' - nadien zal hij het bordeel zijn 'ware kerk' noemen, 'de enige die mij voldoende onbevredigend is'.

De ervaringen die hij er heeft opgedaan vinden hun neerslag in boeken als L'expérience intérieure (1943) en Le coupable (1944), waarin Bataille aan den lijve de mogelijkheden onderzoekt van een mysticisme na de 'dood van God'. Het maakte hem een beetje wereldvreemd, getuige de beschamende tournures die hij in 1943 moet uithalen om zijn reeds verzonden kopij voor de Nouvelle Revue Française terug te krijgen. Dat het vlaggeschip van Gallimard tijdens de bezetting, door toedoen van de collaborateur Drieu la Rochelle, in diskrediet is geraakt, was kennelijk niet helemaal doorgedrongen tot Vézelay, waar Bataille eerder in dat jaar domicilie had gekozen.

In Vézelay leerde hij een nieuwe geliefde kennen, Diane Kotchoubey, aan wie de enige liefdesbrief die Surya's bundel bevat is gericht. Als pars pro toto doet deze ene brief het betreuren dat de andere ontbreken. 'Ik houd zozeer van je dat het een voorproefje is van de dood', schrijft Bataille, 'De dood en jij. Heel de rest is leugen'. En ook staat er: 'Wat ik van jou verwacht is dat je mij tot stervens toe zult consumeren'. Wie mocht betwijfelen dat Bataille zijn ideeën serieus heeft genomen, vindt hier het tegenbewijs. De 'vreugde voor de dood', die hij in een lezing voor het Collège de sociologie had aanbevolen, bleek zich ook tot zijn eigen bed uit te strekken.

Het is één van de zeldzame brieven waarin gedachtengoed en privé-leven samenkomen. De meeste andere brieven die volgen, hebben betrekking op de boeken die Bataille na de Tweede Wereldoorlog (zijn meest productieve periode) zal publiceren en op het door hem in 1946 opgerichte tijdschrift Critique. Interessant is vooral zijn schipperen tussen communisme en anti-communisme. Het blijkt dat Critique de ongeschreven regel huldigt geen ruimte te bieden aan anti-communistische artikelen. Maar wanneer sommige medewerkers daar anders over denken, komt het tot een heftige epistolaire woordenwisseling tussen Bataille en zijn eindredacteur Pierre Prévost.

Verspilling

Toch is het niet zo dat Bataille in deze jaren, als zovele Parijse intellectuelen, een 'fellow traveller' is geworden. Hij probeert eerder de lieve vrede onder zijn medewerkers te bewaren. Zelf bewandelt hij een geheel eigen pad, uitgestippeld aan de hand van een 'algemene economie' van de 'verspilling', die wordt beschreven in zijn meest wonderlijke boek La part maudite (1949). Bataille keert zich tegen de eenzijdige nadruk op productie en accumulatie, die zijns inziens onvoldoende rekening houdt met het altijd aanwezige 'overschot'. Een overschot dat alleen maar 'verspild' kan worden, in luxe, 'zinloze' destructie, oorlog, feesten, erotiek, maar ook in kunst en literatuur. Vanuit dit gezichtspunt is het verschil tussen kapitalisme en communisme, waarover de anderen zich zo druk maken, inderdaad te verwaarlozen.

Meer en meer concentreert Bataille zich op erotiek, kunst en literatuur, zoals blijkt uit boeken als L'érotisme en La littérature et le mal, die beide (evenals de roman Le bleu du ciel) in 1957 verschijnen en hem voor het eerst iets van publieke erkenning lijken te bezorgen. Door zijn uitgevers wordt in een Parijse bar een receptie georganiseerd, maar aan Dionys Mascolo, de toenmalige echtgenoot van Marguerite Duras, schrijft hij alleen al het vooruitzicht 'déprimant' te vinden. Het succes komt te laat en voldoende is het evenmin, want geldzorgen blijven hem kwellen. Nog in 1961 moet er ter leniging van de nood een veiling worden georganiseerd, waarvoor bevriende kunstenaars als Arp, Miro, Picasso, Masson en Giacometti schilderijen afstaan.

De brieven uit de laatste jaren van zijn leven (Bataille stierf in 1962) zijn het meest pijnlijk om te lezen. Een ongeneeslijke ziekte, die gepaard gaat met aanvallen van afasie en geheugenverlies, maakt het hem bijna onmogelijk zijn laatste boek, Les larmes d'éros te voltooien. Brieven kan hij nog wel schrijven, vernemen we, maar zodra hij met zijn boek verder moet zinkt hem de moed in de schoenen. Desondanks slaagt hij erin het in 1961, met assistentie, te voltooien. Een belangrijke bijkomende steun, schrijft hij aan Mascolo, zijn de brieven van Maurice Blanchot geweest.

Het ontbreken van zijn eigen brieven aan Blanchot onderstreept nog eens de onvolledigheid van deze Choix de lettres. Ter compensatie zijn alleen enkele brieven van Blanchot opgenomen, waarin deze het besef 'dat de dingen in de grond zonder uitweg zijn' aanwijst als hetgeen Bataille en hij met elkaar gemeen hebben. Jammer genoeg heeft dit besef Blanchot er niet toe gebracht hun hele briefwisseling (die omstreeks 1941 moet zijn begonnen) aan de openbaarheid prijs te geven. Discretie en hiaten blijven Batailles correspondentie tot het eind toe kenmerken.

Dat heeft echter één onmiskenbaar voordeel: om Bataille werkelijk te leren kennen moeten we nu wel naar de twaalf delen van zijn Oeuvres complètes grijpen, want de brieven die Surya boven water heeft gekregen leveren daarop niet meer dan een nuttige en sympathieke aanvulling.