Geen fictie zonder werkelijkheid

Met het thema van de boekenweek, Panorama Nederland, vreest Kester Freriks het ergste voor de literatuur. Hij waarschuwde (NRC Handelsblad, 10 maart) de literatuurliefhebber voor een ernstig gevaar.

De nadruk op de geografische feiten van een boek zou het verlangen aanwakkeren 'het geschrevene te toetsen aan de werkelijkheid'. En dat “is een verkeerde manier van lezen: het enige waaraan een boek getoetst moet worden is de innerlijke overtuigingskracht van dat boek zelf”.

Volgens Freriks mag het niet-fictieve deel van een literair werk geen invloed hebben op deze zogenoemde 'innerlijke overtuigingskracht'. “De werkelijkheid van een boek”, schrijft hij, “bevindt zich tussen twee kaften, en nergens anders”.

Freriks moet begrijpen dat deze opvatting omtrent de aard van een'literaire werkelijkheid' onhoudbaar is, hij beweert immers zelf: 'vervorming van de werkelijkheid is juist de essentie van kunst'. Om een werkelijkheid te vervormen, moet er natuurlijk wel echt één zijn.

Om zijn ongerief te verklaren, haalt hij talloze literaire voorbeelden aan waarin niet-fictieve elementen een rol spelen. 'De Dapperstraat' van J.C. Bloem is zo'n voorbeeld. Hij legt uit dat we weinig belang moeten hechten aan Bloems keuze voor juist deze straat: “Het kon zowat elke Amsterdamse straat in een van de negentiende-eeuwse buitenwijken zijn, maar het werd 'Dapperstraat' omdat hij een alliteratie zocht met 'domweg'.

Behalve alliteratie zijn er vanzelfsprekend nog enkele poëtische beweegredenen geweest, om juist deze straat te verkiezen. Ik denk aan de associatieve relaties tussen 'weg' en 'straat' en tussen 'dom' en 'dapper'. Maar de beslissende reden in de keuze voor 'Dapperstraat' ligt natuurlijk in het feit dat het om een negentiende-eeuwse buitenwijk gaat. Dat zag Freriks ook wel, maar hij verbindt daaraan geen conclusies. Waarom heeft Bloem niet gekozen voor 'de Dam', dat allitereert toch ook heel aardig?

Het ging Bloem om 'de grauwe stedelijke wegen', die hij prefereerde boven natuurschoon en andere pracht en praal. Want 'alles is veel voor wie niet veel verwacht'.

Bloem probeert ons duidelijk te maken, dat schoonheid 'tussen de oren zit'. Aangezien de Dam wat aan de majestueuze kant is, komt deze plek niet in aanmerking voor de allitererende laatste zin. En als de Dapperstraat een Prinsengracht zou zijn, of helemaal niet zou hebben bestaan, dan zou Bloem toch verder gezocht hebben. Anders gezegd, de niet-fictieve werkelijkheid speelt een doorslaggevende rol voor het totstandkomen van een werkelijkheid tussen de twee kaften.

Zo schreef Willem Frederik Hermans in het surrealistische verhaal De teddybeer: “Men had een stenen wig gedreven tussen de spoorbanen en er een station van gemaakt [...] Aan de ene zijde was een oude wijk, waarin een windmolen draaide met volle zeilen.” Wie de hoofdstad wel eens per spoor heeft verlaten of bezocht, weet dat Hermans hier het Muiderpoortstation voor zich heeft met de daaraan grenzende Dapperbuurt - jawel, met die vermaledijde Dapperstraat.

En voor wie het weten wil, de windmolen bevindt zich niet in de Dapperstraat, maar net er achter aan de Zeeburgerstraat.

Juist het bestaan van dat eigenaardige Muiderpoortstation verleent deze passage zijn surrealistische lading. Zonder het onomstotelijke 'bewijs' van deze onmogelijke gebeurtenis, namelijk een grote stenen wig te drijven tussen de sporen, zou het nauwelijks een bijzondere passage zijn geweest.

Van Freriks moeten we romans weer als romans gaan lezen, ons niets aantrekken van de realiteit en al helemaal niet schoolmeestertje willen spelen als de feitelijkheid even wat te wensen overlaat. Maar wie speelt dan schoolmeester en wie lezen romans niet als romans? Hierop geeft hij geen antwoord. Zijn liefde voor een kant-noch-wal-kunstopvatting, waarbij de werkelijkheid tussen twee kaften op veilige afstand van de feiten blijft, verklaart wellicht ook zijn gepassioneerde gevecht tegen dit zelfverzonnen probleem.

“Ik heb nooit iemand horen tegenwerpen dat je niet gelukkig in die straat kunt zijn, dat het juist een straat is om voorgoed ongelukkig te zijn. En dat de dichter de werkelijkheid dus geweld aandoet. Nee deze regel wordt beschouwd als een van de mooie poëtische zinnen uit de Nederlandse taal.” Niemand werpt blijkbaar iets tegen, er is helemaal geen opponent. Freriks strijdt tegen windmolens. Maar die staan niet in de Dapperstraat.

    • Coen Simon