Frans hofleven in de achttiende eeuw; Het mechaniek van de macht

Norbert Elias: De hofsamenleving. Een sociologische studie van koningschap en hofaristocratie. Vert. Bart Jonkers (Die höfische Gesellschaft etc., in 1933 geschreven, pas in 1969 uitgegeven). Boom, 430 blz. ƒ 89,50

Emmanuel Le Roy Ladurie (avec la collaboration de Jean-Francois Fitou): Saint-Simon ou le système de la cour. Fayard, 635 blz. ƒ 65,50

'A Lady died. Nou èn?', schreef Herman Franke vorig jaar september in deze krant, naar aanleiding van de ophef in de media over de dood van prinses Diana. Wie zich vandaag de dag verdiept in handel en wandel van koningshuizen en beau monde doet dat uit sensatiezucht, gemakzucht of gebrek aan werkelijkheidszin. Maar ooit waren de sprookjeshoven een politieke realiteit, en kon de dood van een prinses het verschil uitmaken tussen oorlog en vrede. Paleizen en parken zijn de stille getuigen uit die dagen, maar er bereiken ons ook nog levendiger berichten van weleer.

Zo heeft Louis de Rouvray, duc de Saint-Simon (1675-1755), duizenden pagina's Mémoires geschreven over het hofleven in het achttiende-eeuwse Frankrijk. Hij deed dat, volgens de socioloog Norbert Elias, uit teleurstelling over een gemankeerde politieke carrière. Maar dat neemt niet weg dat, volgens de historicus Le Roy Ladurie in zijn nieuwe boek Saint-Simon ou le système de la cour, Saint-Simon zijn rechtmatige plaats kan innemen naast zulke literaire grootheden als Shakespeare en Goethe. De juiste betekenis van de chroniqueur is intussen maar een van de zaken waarover de Duitse socioloog en de Franse historicus van mening verschillen.

Tussen 1690 en 1723 hield Saint-Simon in het verborgene aantekeningen bij van het Franse hofleven onder Lodewijk de Veertiende (1638-1715) en onder Philip van Orleans, die tijdens de minderjarigheid van Lodewijk de Vijftiende het regentschap uitoefende. In 1723 was ook zijn eigen kleine rol uitgespeeld, en kon Saint-Simon zich wijden aan het uitwerken van zijn geheime schetsen van duizenden maarschalken, hertogen, maîtresses en ministers. Pas in de negentiende eeuw, lang nadat de adel een kopje kleiner was gemaakt, waagde men zich in Frankrijk aan een eerste complete uitgave van het werk. Sindsdien behoort Saint-Simon tot de belangrijkste informanten over het absolutistisch koningschap. Voor Le Roy Ladurie valt Saint-Simons opus magnum zelfs samen met het hofleven.

Koketteren

In Norbert Elias' studie De hofsamenleving, gepubliceerd in 1969, is Saint-Simon de meest geciteerde bron, maar toch komt het aantal aanhalingen niet uit boven de dertig, en in de tekst ontbreken alle familiariteiten als 'onze kleine hertog' of 'onze licht onvlambare hoveling' waar Le Roy Ladurie in zijn boek mee koketteert. Elias' studie handelt dan ook veel meer over 'het systeem van het hof' dan dat van de Franse historicus. In de inleiding over de verhouding tussen sociologie en geschiedenis benadrukt Elias dat in zijn verhaal de personen en evenementen niet de hoofdrol spelen, maar de posities en verhoudingen die de hofsamenleving vorm gaven.

Die formele omgang, de pracht en praal, en de alleenheerschappij van de vorst - zaken die Le Roy Ladurie als eigenaardigheden van het hof beschouwt - zijn volgens Elias variabelen van een groter, barok patroon dat rivaliserende groepen onbedoeld met elkaar weefden. Dat patroon is geschiedenis, omdat de verstrengeling van adel, koning en haute bourgeoisie langzaam gegroeid is, èn het is sociologie, omdat die liaisons dangereuses een wankel evenwicht bewaarden tussen de partijen. Geen van de hovelingen had een precies inzicht in wat hem of haar bewoog, ook niet de scherpzinnige Saint-Simon, en zelfs de machtige Lodewijk de Veertiende moest opereren op het scherpst van een machtsbalans. Elias maakt er een punt van de almacht, het 'absolutisme' waar de historici zo van opgeven, van de koning te relativeren. Ook de Zonnekoning was niet vrij in zijn keuzes: die van zijn ministers, van zijn maîtresse, en van zijn opvolging.

De willekeur van de adel wordt ook vaak geschetst aan de hand van de enorme uitgaven die voor huizen en huishoudingen gedaan werden. Schulden en aristocraten zijn onafscheidelijk. Maar die royaliteit had goede redenen. Elias houdt niet op te herhalen dat het gedrag van de adel naar burgerlijke maatstaven irrationeel mag lijken, maar dat in de eeuwige strijd om de voorrang niemand aan het hof zich kon veroorloven te beknibbelen op de kostbare uitrusting van woningen, kleding, feesten en andere luxe. Noblesse oblige.

Etiquette

Elias maakt gebruik van Saint-Simon en andere tijdgenoten om de politieke betekenis van etiquette en ceremonieel te illustreren. De schaarse verhalen over minnaressen en duellisten zijn louter toelichting op 'la mécanique', zoals de werking van de macht toen al heette. Distantiëring en onderscheid, prent Elias de lezer in, zijn de motieven achter alle sprongen en strijkages van de hovelingen. Die zucht naar opvallendheid temidden van zijnsgelijken maakt de aristocraat overigens een begrijpelijk schepsel voor latere waarnemers. De gespen en frontjes van de markies van Cantecler mogen ons vreemd zijn, zegt Elias, maar de drijfveren van zijn uitdossing zijn dat bij nadere beschouwing allerminst.

Hoe die haantjes nu precies bekvochten en intrigeerden kan men beter nalezen in Le Roy Ladurie's weergave van Saint-Simon. Uitgebreid etaleert hij de opvattingen over rangen en standen van de aristocratie, de verschillende hofklieken, de huwelijksgewoonten, en de onverwachte wereldverzaking die vaardig kon worden over edellieden. Ook in Le Roy Ladurie's exposé overheerst de geest van ongelijkheid ('Pour Saint-Simon, penser c'est classer'), maar de honderden anekdotes scheppen veeleer een sfeer dan een systeem.

De lezer kan vaststellen dat die uitbundige taferelen niet tot minder begrip, maar wel tot een ander begrip leiden voor wat de hofhouding in beweging hield dan de kale ontleding van Elias. De classificatie-arbeid en de masquerades en parades zijn volgens Elias manifestaties van de afhankelijkheidsrelaties tussen mensen. Het werk van jaren, die eindeloze herhalingen met minimale variaties. Maar de manipulaties en driftbuien, de vroomheid en de wellust die Le Roy Ladurie namens Saint-Simon de lezer voorschotelt zonder al die uitleg, verschaffen op hun beurt een goede kijk op de dagelijkse uitvoering van die 'oefeningen in ongelijkheid'.

De conversatietoon die Le Roy Ladurie in zijn boek handhaaft, in navolging van 'onze kwaadaardige kleine hertog', belet hem niet om hoofd- en bijzaken uit elkaar te houden. 'Zuiverheid' was een van de belangrijkste preoccupaties van Saint-Simon en zijn standgenoten. Overal dreigden gevaren voor de naam, eer en rang. Vrijages en huwelijken konden iemand verheffen of blameren, en Saint-Simon heeft vele bladzijden lang lucht gegeven aan zijn intense afkeer van bastaards, die het blauwe bloed verdunden. Au fond riskeerde men in alle maatschappelijk verkeer zijn status, en sociale smetvrees was dus endemisch onder de aristocratie.

Het kortere perspectief van de Fransman verschaft de lezer ook een spannend verhaal over de machtsstrijd tussen de facties aan het hof. Onder het lezen is men geneigd elke hertog en prinses van den bloede terug te zoeken in de fraaie sociogrammen die de schrijver van de drie grootste hofpartijen heeft getekend. De vergelijking die hij trekt tussen een kremlinoloog en Saint-Simon is niet vergezocht. Dat kan men niet zeggen van de overeenkomsten die Le Roy Ladurie signaleert tussen de koning en Mitterand, en tussen religieuze processies en vakbondsdemonstraties.

Gauche caviar

De gelijkenis die hij aanwijst tussen het oude jansenisme en het eigentijdse, modieuze Franse links, la gauche caviar, nodigt uit tot nadenken. Wat men uit De hofsamenleving namelijk helemaal niet zou opmaken, is dat naast alle klasse- en standsgekrakeel in het Frankrijk van de zeventiende en achttiende eeuw, ook een religieuze strijd werd uitgevochten tussen een mondain katholicisme, en een ascetische school die zijn oorsprong vond in de sombere overwegingen van de bisschop van Ieperen, Cornelis Jansen (1585-1638). Le Roy Ladurie maakt veel werk van die tegenstrever van de triomfantelijke barok. De sympathisanten ervan, waartoe vreenmd genoeg ook de wereldse Saint-Simon behoorde, vertolkten een opvallend modern levensgevoel van 'geworpen zijn in de wereld' dat men ook van de existentialisten kent.

Dit levensbeschouwelijke conflict had politieke vertakkingen, want het anti-hoofse karakter van het Jansenisme boezemde Lodewijk de Veertiende grote weerzin in. Het broeinest van het Jansenisme, het klooster Port-Royal, liet hij in 1710 letterlijk omspitten. Van de weeromstuit verliet de koning zich meer en meer op de jezuïeten, aan wie een andere moderne, kosmopolitische, houding niet vreemd was. Maar een deel van de Franse elite zou in het vervolg moeiteloos een comfortabele levensstijl combineren met radicale opvattingen.

Merkwaardig is dat juist de 'historicus' Le Roy Ladurie een paar politieke lijnen naar de toekomst uitzet, en dat de 'socioloog' Elias zich in De hofsamenleving zo toelegt op de voorgeschiedenis van het absolutistisch vorstendom. Anders dan Le Roy Ladurie meent, in de nijdige appendix die hij aan Elias' boek wijdt, besteedt de Duitse socioloog maar weinig aandacht aan het avant-garde karakter van de hovelingen. Pas in Ueber den Prozess der Zivilisation (1939) komt de these tot wasdom waar Le Roy Ladurie zo op gebeten is, namelijk dat de Franse aristocratie de voorloper was van de moderne beheerste omgang.

De venijnige waarschuwing van Le Roy Ladurie dat het maar om een jeugdwerk van Elias gaat, geeft te denken nu de Franse schrijver inmiddels zelf afstand heeft genomen van Les Paysans de Languedoc (1966), dat hij schreef toen hij midden dertig was, zo oud als Elias toen deze aan De hofsamenleving begon. In de appendices van Elias, één over het economisch ethos en één over het nationaal-socialisme, wordt wel vooruitgelopen op een latere stand van zaken. In dat korte bestek weet hij zich niet op te werken tot de scherpzinnigheid die de beloning is van zijn omslachtige betogen.

De twee boeken kunnen met vrucht tesamen worden gelezen. De dynamica die Elias bedrijft is een wat academische bezigheid zonder de aandrijving van Le Roy Laduries' petites histoires. Ook de nauwkeurige vertaling van Bart Jonkers kan aan de monotonie weinig verhelpen. Afzonderlijk gelezen doen beide boeken verlangen naar de geschriften van 'onze kleine hertog' zelf, die roddel en preken op onnavolgbare wijze wist te verenigen. Men hoeft de teloorgang van het hofleven niet te betreuren om te erkennen dat het aan de wieg van grote werken heeft gestaan.

    • Samuel de Lange