Europa heeft het Midden-Oosten niet veel te bieden

Robin Cook heeft het moeilijk met buitenlandse reizen. Koningin Elizabeth riep vorig jaar oktober, tijdens haar staatsbezoeken aan Pakistan en India, op tot het zoeken naar een oplossing in de kwestie-Kashmir, die beide landen al tientallen jaren verdeeld houdt en die tweemaal oorlog heeft veroorzaakt.

Haar appèl viel aan twee kanten in slechte aarde. De Indiase regering was zo gegriefd dat zij een bijeenkomst in Madras afzegde waar de Britse vorstin een toost had willen uitbrengen op haar gastheren. Cook, die de vorstin bij al haar optredens van advies had gediend, deed het rumoer toen af als “storm in a toast cup”. Deze week toonde de bewindsman zich verheugd verlost te zijn van een vierde “viergangendiner” in luttele dagen tijd. Premier Netanyahu had dat diner geschrapt nadat Cook bij een bezoek aan het omstreden Har Homa zeer nadrukkelijk een Palestijnse parlementariër de hand was gaan schudden.

Op het subcontinent trad Cook op als hoogste diplomatieke adviseur van het staatshoofd, in Israel was hij de afgezant van de Europese Unie. Maar in beide gevallen had hij moeite met zijn rol. Pakistanen en Indiërs waren verbolgen over de aanmatiging van de voormalige kolonisator. Wat zouden de Britten ervan vinden als wij adviseerden in de kwestie-Ulster, was een veelgehoorde vraag. De dynamische regering-Blair, die alles anders wil doen dan haar voorgangers, had zich met die kant van de zaak niet beziggehouden. Achteraf speelde zij de vermoorde onschuld. Wat was er nou eigenlijk tegen een vredesoproep?

Ook in Israel was Cook vol goede bedoelingen. Namens de Europese Unie kwam hij Arafat en Netanyahu steun aanbieden, materiële, maar ook ideële: in de vorm van een aanbod te bemiddelen. De Europese leiders meenden het onverenigbare te kunnen verenigen. Zij wilden de Israeliërs duidelijk maken dat het evenwicht zoek was en dat Europa daarom wel zijn gewicht aan Palestijnse kant moest leggen. In die benadering schuilde kritiek op de Amerikanen. Zij zouden bij hun bemiddeling te veel naar de regering-Netanyahu luisteren. Maar wie Arafat al te hartelijk omarmt heeft het in Israel al snel verbruid. Dat heeft Cook inmiddels ervaren. Voor Europese subtiliteiten is geen ruimte. Israel heeft er geen moeite mee dat het zelf veel gewicht in de schaal legt.

Voorzover van een buitenlandse politiek van de Europese Unie kan worden gesproken, zijn twee ontwikkelingen de aandacht waard. Aan de ene kant is er de belofte van één gemeenschappelijk beleid, anderzijds trachten landen een eigen buitenlandse politiek te ontwikkelen. Soms roepen zij zich dan uit als vertolker van Europese standpunten - al was het maar om op derden meer indruk te maken - soms trachten zij het eigen gezichtspunt aan de partners in de EU op te dringen. In een enkel geval is er ware gemeenschappelijkheid, maar dat verzekert nog niet succes. Ook dan is er overigens de gelegenheid op de uitvoering een eigen stempel te drukken.

Wie zich voorbeelden wenst, kan de laatste maanden een aardige keuze maken. Er was de nieuwe crisis met Saddam Hussein, de crisis over Kosovo, de kwestie van de onderhandelingen met Cyprus over toetreding en, ten slotte, de bemiddeling in het Midden-Oosten. In de crisis met Saddam Hussein was er geen duidelijk standpunt van de Unie. Dat kon ook moeilijk gezien de kloof die, zeker aanvankelijk, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk scheidde. De Britten sloten zich aan bij de militante voornemens van de Amerikanen, de Fransen zochten bemiddeling parallel aan Russische pogingen. Nederland wendde traag de steven naar de koers van de 'Angelsaksen'. De voorlopige afloop - iedereen is tevreden met het resultaat van Kofi Annan - heeft de kloof, althans voor even, gedicht.

In Kosovo stond de Unie bij voorbaat buitenspel omdat ex-Joegoslavië het speelterrein is van de zogenoemde Contactgroep. De Unie als zodanig volgt de leiders: dat zijn voor Europa Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en Duitsland. Maar ook de Contactgroep kwam er niet uit en zo werd de vraag wat moet gebeuren verlegd naar de VN-Veiligheidsraad.

In de kwestie van de toelating van het verdeelde Cyprus, die gezien de positie van Turkije een buitenlands politiek aspect heeft, is de Unie soeverein. De Grieken, die van Griekenland, hebben als lid een voorsprong op de Turken van Turkije, die het nog jaren in de Europese wachtkamer moeten zien uit te houden. Dat bepaalt voor een groot deel de aanpak van de Unie, en als er toch nog verdeeldheid ontstaat zeggen de Grieken gewoon dat zij de gehele uitbreiding van de Unie met hun veto zullen treffen. Zelfs Frankrijk, dat zich door Clinton noch Blair laat ringeloren, bindt dan snel in. De Fransen hadden bezwaar gemaakt tegen Cyprisch lidmaatschap zolang de problemen op het eiland niet waren opgelost. Dat was een zinnig standpunt, maar het bleek onhoudbaar tegenover Griekse chantage. Zelfs Amerikaanse druk om de Turken tegemoet te komen, alle Turken, ook die van Turkije, weegt daar niet tegen op.

In Israel wist Cook zich woordvoerder van de gehele Unie. Niet alleen omdat Groot-Brittannië tot 1 juli aanstaande het voorzitterschap bekleedt, maar ook omdat er binnen de Unie ten aanzien van het vredesproces tussen Israel en de Palestijnen redelijke eensgezindheid bestaat. De Unie wil dat proces bevorderen en denkt dat te kunnen en moeten doen door meer begrip op te brengen voor de Palestijnse eis van toenemende autonomie dan voor de Israelische zorg over eigen veiligheid. De Amerikanen kunnen als laatste verzekeraar van die veiligheid een dergelijke gang bezwaarlijk meemaken. De Europese inbreng is vooral een kwestie van financiële steun en het ligt voor de hand dat die steun is gericht op de emancipatie van de Palestijnse bevolking. Er zit dus een zekere logica en consistentie in de Europese benadering.

Maar eensgezindheid blijkt niet voldoende. Het incident dat Cook veroorzaakte, toont nog eens dat diplomatie die geen rekening houdt met de ingewikkeldheden van de voorliggende problematiek gemakkelijk zichzelf beschadigt. Natuurlijk beschikt de Unie over voldoende kracht om de sociaal-economische vraagstukken van de bezette gebieden te helpen oplossen. Maar die wortel is op zichzelf niet sappig genoeg om Israel te doen toehappen. De jongste geweldsuitbarstingen in bezet gebied geven aan hoe ver een werkelijke vrede tussen beide bevolkingsgroepen nog is verwijderd van verwezenlijking. En hoeveel werk er nog moet worden verzet om beide groepen veiligheid in eigen land te verzekeren. De Unie heeft op dat punt, helaas, weinig te bieden.