Door de boomgaarden

In Geldermalsen stapt ze in de trein en gaat tegenover mij zitten: een kleine vrouw met gezwollen voeten en rossig haar dat op de kruin begint te dunnen. Ze kijkt uit het raam waar de boomgaarden zich hoe langer hoe sneller aaneenrijen en zegt: “Ik heb hier mijn hele leven gewoond.

En ziet u daar, tussen de fruitbomen die lage loodsen? Daar heb ik tien jaar aan de band gestaan. Conserven. Inblikken. Het was vuil werk. Wij moesten het vuil uit het fruit halen. Bladeren, takken, slakken. En rotte plekken uit de appels snijden. Veel bladeren, vooral bij kersen. Ik was bang voor kikkers. Als ik er een zag, riep ik: 'Jongens, daar komt er weer een aan.' En dan haalde een ander die er voor mij uit. Wat zegt u? Nee, altijd levend. Of het machinaal of met de hand geoogst werd? Ik heb geen idee.

“Peren ook. Maar die waren al geschild en het klokhuis was eruit. Halve peren. Daar zaten soms nog restjes klokhuis en stukjes schil aan. En dat haalden wij dan weg met een mesje. De peren gingen op siroop, in blik. Maar dat was een andere afdeling. Wij deden het vuile werk.

“Meestal zat ik in de dagploeg. De nachtploeg werkte van zes tot vier uur 's morgens. Maar dan kwam er soms nóg een lading aan en dan moest je tóch door. Fruit kan niet wachten. Ik zou het nu niet meer kunnen. Veel te vermoeiend. Het is niet zo dat je er niet bij mócht zitten, maar je kón er niet bij zitten. Want als je zit, kan je niet goed reiken. Dan ben je niet snel genoeg. Zeker niet met mijn lengte.” Ze lacht.

“We hadden eetpauze. En als je tussendoor óók nog naar de wc moest, meldde je dat. En 's morgens en 's middags mocht je twee keer extra weg om een consumptie te halen. Later mocht dat niet meer. Kersen pikten we vaak mee. Iedereen deed dat. Als ze je betrapten, werd je eruit gegooid.

“Groente kregen we ook. Boontjes afhalen, want daar zaten vroeger van die draden aan. En worteltjes schoonmaken. Aan worteltjes zat altijd veel grond. De doperwtjes kwamen gekookt aan en die moest je dan met je hand over de band verspreiden en kijken of er nog vuil tussen zat. Natuurlijk was het heet aan je vingers. Handschoenen hadden we niet. Het wende wel.

“Wat ik het leukste vond? Peren schillen. Dat was gezellig. Dan stond je met veel mensen aan de band. Kletsen en lol maken. Als je door een wesp gestoken werd mocht je naar huis.

“Het vervelendste? Kersen. Die vielen van zó hoog op de band, want die gingen toch in de siroop. En dat spatte op mijn gezicht en in mijn haar. Dan waste ik mijn gezicht wel, maar mijn haren bleven rood. En de conducteurs in de trein die zagen het dan al. Bedrijfskleding, daar moest je zelf voor zorgen. Ook voor kaplaarzen, want de hele dag werd er gespoten. Het fruit natuurlijk, maar ook de vloeren. Het was er wel schoon, maar toch was het vuil werk. Thuis spoel ik altijd mijn blikgroente uit. Doperwtjes, boontjes, ik kijk alles na. Altijd! U vindt het hier mooi hè? Ik zie het niet meer.”