De virtuele werkelijkheid bestáát; Nieuw instituut voor mediakunst in Karlsruhe

De Nederlandse musea voor moderne kunst gedragen zich als vampiers. Ze voeden zich met jonge video- en mediakunst, maar willen niets te maken hebben met de veranderingen die zulke kunst met zich meebrengt. Hoe dat wel zou kunnen, laat zich vermoeden in Karlsruhe, waar schilder-, beeldhouw- en elektronische kunst in één gebouw zijn ondergebracht.

Zentrum fur Kunst und Medientechnologie, Lorenzstrasse 19, Karlsruhe. Openingstijden museum: wo t/m za. 12-20u. Zo 10-18u. ma en di gesloten.Mediatheek: di t/m za van 12-20 u. zo 12-18u. Toegangsprijs 10 DM. Inl. (0049) 721 81000.

Tien Nederlandse museumdirecteuren en de directeur van de Rotterdamse Kunsthal mochten in Vrij Nederland hun favoriete jonge Nederlandse kunstenaar presenteren. Negen van hen hadden voor schilder- of beeldhouwkunst gekozen, een voor fotografie en twee voor videokunst. De directeuren beargumenteerden hun keuze met persoonlijke motieven: 'Ik ben een sentimentele, oude man' (de Kunsthal) en 'Die jongen is gewoon verschrikkelijk goed' (de Beyerd). Of met overjarige kunstpraat: 'Balanceren op de grens tussen figuratie en abstractie' (De Pont Stichting) en 'Kleine manipulaties die het alledaagse lading geven' (Centraal Museum Utrecht).

Alleen de directeur van Museum Boijmans Van Beuningen, Chris Dercon, gaf zijn keuze, het video-werk van Fiona Tan, een breder kader. In zijn winderige taal zei hij: 'Mede onder invloed van de alom aanwezige media wordt de ontkenning van het monoculaire perspectief van bijvoorbeeld de schilderkunst (-) steeds aantrekkelijker voor beeldende kunstenaars.'

'De alom aanwezige media': waar ze ook zijn, niet in het museum. Terecht merkt Dercon op dat de jongste lichting kunstenaars eerder naar de video-camera grijpt dan naar de kwast, maar wat ze te zeggen hebben kom je ook in zijn tempel niet te weten. Het Van Abbemuseum is het enige museum dat met enige regelmaat kiest voor technologische mediakunst. Voor de rest zijn we aangewezen op videofestivals, wat gelijk staat aan een voettocht maken door de jungle: dagen lang kap je je in donkere zaaltjes een weg door rijp en groen...

Dat gebrek aan visie op nieuwe ontwikkelingen beïnvloedt ook de kunst. Het remt het experiment af en smoort radicale ideeën. Het geeft aan de kunst, met name aan de recente kunst, een sfeer van luxe en overbodigheid. Zo ontstaat licht het beeld dat de jongste generatie liever rondspartelt in het pierebadje van het gevestigde kunstcircuit, dan een duik neemt in de oceaan van de echte wereld.

Dat beeld klopt wel, maar het is niet volledig. Er is ontegenzeggelijk veel academische kunst (de vrucht van weinig selectieve academies, een jachtige markt en gebrekkige kritiek), maar er wordt ook volop met nieuwe denkbeelden geëxperimenteerd, vooral door kunstenaars die met technologische media werken, sommigen al jaren lang. Alleen tref je die zelden aan in het museum.

Ze hebben er ook niets te zoeken. Zo lang de musea hun traditionele opvattingen over wat kunst is en hoe die gepresenteerd moet worden, niet durven of willen bijstellen, zijn ze zelfs bedreigend voor kunstenaars die op vernieuwingen uit zijn. Die tonen hun experimenten liever waar het leven klopt en tiert, zoals in de popwereld waar Gerald van der Kaap en Daniëlle Kwaaitaal als vj's opereren, bij de mode waar Inez van Lamsweerde en Mischa Klein met hun foto's op reageren of in de reclame waar het kunstenaarsduo Kkep met hun futuristische 'commercials' op in springt. Ze vermijden de huidige musea omdat die, gelijk vampiers, het bloed uit hun werk zuigen om vervolgens het karkas op de gangbare manier te kunnen bijzetten.

Vampirisme

Het vampiristische museum is het museum dat wel hedendaags wil heten, maar het niet wil zijn. Het voedt zich af en toe met fris, jong bloed, maar het verschikt niets aan zijn habitus. Zo'n museum is ons belangrijkste museum voor hedendaagse kunst, het Stedelijk Museum in Amsterdam. De directeur ziet wel in dat de electronische mediakunst niet meer te negeren valt (voorlopig laat hij eenmaal per jaar het World Wide Video Festival in zijn zalen toe), maar zijn tegenzin is openlijk. Hij sprak zich in deze krant zelfs hardop uit voor een apart media-museum. Het Stedelijk, zei hij, is zowel budgettair als ruimtelijk niet op de media-kunst ingesteld.

Dat zal best, maar je kunt de prioriteiten natuurlijk anders stellen en bijzondere fondsen aanspreken, alleen vraagt dat een andere opvatting dan het statische museum met statige objecten dat de directeur voorstaat. Want dat is een oudheidkundig museum, geen museum dat leeft met de spirit van de tijd.

Die andere opvatting staat nu in Karlsruhe. Daar is in oktober vorig jaar een 40 000 m groot, high tech verbouwd fabriekscomplex geopend dat volledig is ingericht voor de electronische media: het Zentrum fur Kunst und Medientechnologie ofwel ZKM. Het omvat een academie voor media-kunst, design en architectuur, een instituut voor beeldmedia, een instituut voor akoestiek en muziek, een media-theater en een mediatheek. Daarnaast zijn er ook nog drie musea in ondergebracht: de Städtische Galerie met de stedelijke collectie Duitse schilderkunst, het Museum voor Nieuwe Kunst met een gevarieerde internationale collectie oude en nieuwe mediakunst, en het Mediamuseum met voornamelijk computergestuurde, interactieve kunst. Eind 1999 zal het vierde museum klaar zijn met internationale topkunst uit belangrijke privé-verzamelingen, waaronder werken uit de minimal art- en lichtkunstverzameling van de Italiaanse graaf Panza di Biumo.

De diverse media-instituten dienen als laboratorium voor kunstenaars die speciaal voor het Mediamuseum werk maken, maar er kunnen ook betalende gastkunstenaars in terecht. Hun werk kan eventueel in het theater, in de mediatheek of op speciale tentoonstellingsplaatsen worden bekeken of beluisterd. Naar verluid zijn er bij die kunstenaars ook computerjunks die, om geen moment van dit electronische walhalla te missen, zich dagen en nachten lang hologig en krijtwit op de been houden met zwarte koffie en hamburgers.

Bauhaus

De initiatiefnemer van dit 164 miljoen DM kostende 'electronische Bauhaus', Heinrich Klotz, tevens directeur van het Museum voor Nieuwe Kunst, schrijft in de catalogus: 'Wat nu nodig is, is een museum voor alle kunsten. De musea voor hedendaagse kunst blijven veel te veel gericht op schilder- en beeldhouwkunst, terwijl toch duidelijk is dat de opkomst van het 'technologische beeld' tot nieuwe kunstcategorieën heeft geleid die niet simpelweg verworpen kunnen worden door ze te negeren.' Klotz heeft in zijn museum nadrukkelijk de oude media, schilder- en beeldhouwkunst, gemengd met het nieuwe: fotografie, video- en multi-mediakunst.

Toch heeft ook het Museum voor Nieuwe Kunst de nieuwste mediakunst niet kunnen integreren. Voor de computergestuurde, interactieve kunst moet je in het Mediamuseum zijn. Daar zijn verschillende redenen voor. Praktische: het museum bezit een unieke collectie technologische kunst die het zo veel mogelijk wil tonen om het publiek in deze onbekende kunst in te voeren. Die werken zijn vaak gecompliceerde installaties of environments waar objecten, beeldschermen, monitoren en geluidsapparatuur bij horen. Er is dus ruimte, duisternis en een goede akoestiek voor nodig. Er is ook een ideologische reden: het museum wil een plek zijn waar diverse aspecten van onze media-cultuur 'creatief ter discussie worden gesteld'. Daarom is er ook een (druk bezochte) afdeling waar je spelenderwijs gewezen wordt op bijvoorbeeld het geweld en seksisme in verschillende soorten computerspelletjes. De scheiding tussen de twee musea is evenwel architectonisch overbrugd doordat het ene als vanzelf in het andere overloopt.

Beide musea, samen goed voor 7000 m tentoonstellingsoppervlak, hebben hun ingang in een hoge, lichte, in koel grijs en zwart uitgevoerde entreehal waarin een receptiebalie, een boekwinkel, een buffetrestaurant en een koffiebar met losse hand langs de muren zijn neergezet. Het Museum voor Nieuwe Kunst bevindt zich op de begane grond. Voor het Mediamuseum moet de bezoeker een brede ijzeren trap op.

De verduisterde bovenetage, met haar parcours van interactieve installaties en environments, ligt rondom een grote lichthal. Leunend tegen de balustrade zie je in de open ruimte beneden de losstaande wanden staan van het Museum voor Nieuwe Kunst. Om de collectie van dichtbij te kunnen zien hoef je alleen maar een open, ijzeren binnentrap af te lopen, zoals je andersom met een paar stappen in virtuele sferen bent.

Zintuigen

Een licht en een donker museum. Je kunt ook spreken van twee werelden, een aardgebonden, zintuigelijke wereld en een electronische, virtuele. In de eerste hebben de zintuigen nog houvast: hard, zacht, massa, volume. In de andere zijn vormen en materialen een kleurig fluïdum, lichtend, transparant, ongrijpbaar en gewichtloos. Beide werelden behoren tot onze werkelijkheid en welke reëler, of beter welke meer effect op ons heeft, is nauwelijks nog te zeggen.

Electronische apparatuur als telefoon, fax, televisie en computer bepalen in hoge mate hoe wij ons leven en onze persoonlijkheid vorm geven. Dat is geen nieuw fenomeen, zoals Marshall McLuhan overtuigend heeft aangegeven in zijn beroemde boek Understanding media: the extensions of man. Hij wees erop hoe een uitvinding als de drukpers diepgaand op de menselijke psyche heeft ingegrepen en tot radicale sociale en politieke veranderingen heeft geleid. 'Wij creëren werktuigen die op hun beurt ons weer scheppen', schreef hij, en het zijn nu de electronische media die ons en de wereld radicaal zullen veranderen. Ze houden de duizelingwekkende belofte in dat wij via hen 'ons centraal zenuwstelsel globaal kunnen uitbreiden.' Daarbij zal iedere menselijke ervaring onmiddellijk met een andere worden verbonden. Zo voorspelde hij al voor het bestaan van internet dat de wereld een 'global village' zou worden: een uiterst verfijnd communicatie-netwerk.

Het idee van communicatie doortrekt nu onze hele cultuur, maar wat het inhoudt en waar het toe dient is nog steeds zo duister als de Middeleeuwen. Het belangwekkende van interactieve kunst, de communicatieve kunst bij uitstek, is dat het denken erover niet abstract blijft. Ze zoekt, zoals vrijwel alle kunst in het Mediamuseum, aandacht door ons lichamelijk aan te spreken en direct in het middelpunt van het werk te plaatsen. Op die plek kunnen wij net zo veranderlijk en bewegelijk worden als de projecties waar wij naar kijken. Het betekent dat je je erin verliest. Misschien ligt dat aan de basis van het vermogen om te communiceren.

Een sociaal ander iemand word je voor de Karlsruhe Moviemap van Michael Naimark. Daarvoor moet je als een echte trambestuurder achter een controlepaneel met de hendels en knoppen van een echte Karlsruher Strassenbahn gaan zitten. Daarna kun je, zonder uniform en pet, stapvoets of doldriest door de straten van Karlsruhe trammen. Ongeveer zoals de militaire bevelhebbers, voor wie dit systeem van ruimtelijke illusie oorspronkelijk is ontwikkeld, op proef door vijandig gebied razen.

Pantertruitjes

Veel psychologischer is de identificatie met ene Lorna die Lynn Hershman van ons vraagt. Je moet er een klein kamertje voor betreden en temidden van rondslingerende pantertruitjes en pumps op een rose geverfde keukenstoel voor een monitor gaan zitten. Welk kanaal je ook kiest, ieder programma vertelt iets over Lorna, een jonge vrouw die zich in exact zo'n kamertje bevindt als jij. Al naar gelang je interesse kun je haar handelingen en gemoedsbewegingen nader bestuderen. Als ze haar nagels lakt kun je dat proces tot in details meemaken, bekijkt ze een tv-programma dan denk je met haar hardop uitgesproken gedachten mee, en haar persoonlijke band met de voorwerpen in de kamer wordt via close-ups en verhalen doorgelicht.

Bij Touch me van Alba d'Urbano wordt de intimiteit fysieker en ook meteen dramatischer. Een vrouwenstem (de kunstenaar) smeekt je om haar gezicht op het scherm aan te raken, maar zodra je dat doet begint het te veranderen, en valt uit elkaar.

Touch me is onbedoeld symbolisch voor het onvermogen van veel interactieve kunst om werkelijk interactief te zijn. Vaak verlangt ze van ons om in te gaan op ideeën die wij zelf diepte moeten geven door middel van technologische instrumenten. De kunstenaar volstaat met die ideeën als vraag aan te bieden waarbij hij het antwoord in zijn zak houdt. Dat is eenrichtingsverkeer. Het maakt van de technologie een poel van belofte. Ze speelt in op verlangen naar nabijheid. Die nabijheid kan de technologische kunst niet geven: het gezicht dat je op het scherm aanraakt is geen gezicht maar een beeld achter een sluier van kunststof.

Toch kan de technologische kunst wel degelijk zijn handicap overstijgen, zoals bij Beyond Pages van Masaki Fujihata. Je moet ervoor in een half donker kamertje achter een tafel gaan zitten, waarop een opengeslagen boek met Japanse karaktertekens is geprojecteerd. Er ligt een potlood naast dat als een toverstokje fungeert. Wanneer je er de Japanse tekens mee aanraakt of verandert klinkt een stem die het teken in een klank omzet, ook als je maar wat hebt zitten knoeien. Je kunt er de pagina's ruisend mee omslaan, plaatjes mee activeren, bijvoorbeeld die van een appel die in etappes in een klokhuis verandert, boomblaadjes mee laten dansen, en zo meer. Het oog wordt oor, het oor tastzin en het denken een beweging.

Fujihata wijst op een verfijnde manier aan dat de technologische media de potentie hebben om ons een totaal-ervaring te geven waar zelfs de filmkunst stil van zou worden. Niet alleen spreekt hij meerdere zintuigen zo aan dat ze niet langer gescheiden zijn, maar hij staat ons daarbij toe zelf heer en meester te zijn. Zijn omgang met de technologie bezielt die technologie tot een esthetische ervaring die kan wedijveren met wat de traditionele kunst te bieden heeft.

En precies daarom is het belangrijk dat de technologische en de traditionele kunst bij elkaar worden gezien.

De virtuele werkelijkheid bestáát. Ze behoort voor velen al net zo tot het leven als de zintuigelijke werkelijkheid. De enorme culturele omslag die dat veroorzaakt vind je als het ware in gecondenseerde vorm terug in de technologische kunst. Die kunst inventariseert wat de technologie veroorzaakt, droomt over de mogelijkheden en denkt na over de gevolgen. Ze speculeert over de toekomstige mens en samenleving en geeft er zo mede vorm aan.

Het museum kan daar een belangrijke rol bij vervullen. Het kan meedenken door nieuwe denkbeelden in een breed cultureel en historisch perspectief te plaatsen. Het kan visies ontwikkelen die het nu verbinden met de geschiedenis en met de komende tijd. Het kan ons bewustzijn open branden voor de dwingende wetten die de technologie ons oplegt en het kan daar de esthetische ervaring tegenover stellen. Die ervaring heeft een menselijke maat en een bovenmenselijke maat. Hij krijgt vuur door het verlangen om het fysieke en aardse te overstijgen: het verlangen naar het schone en zuivere.

Zo'n museum is geen mausoleum waar kunst functioneert als een zorgvuldig afgeschermd, luxe uitsteeksel van onze cultuur, maar een plek waar tal van antennes de lucht in priemen: tastend naar het ongekende in het zichtbare. Dat museum vind je ook in het ZKM nog niet, daarvoor inventariseert het nog te veel. Maar er is een begin gemaakt. En dat is de toekomst.