De snorrebaarden van Napoleon

Dirkje Kuik: Broholm. De Arbeiderspers, 258 blz. ƒ 36,90

'Tijdens zijn leven heeft hij de wereld niet gekregen. Nu hij dood is, bezit hij haar', schreef Chateaubriand over Napoleon Bonaparte. Mede door de promotiecampagne die de onttroonde keizer vanaf Sint-Helena voerde kon hij lange tijd voortleven als legende, niet alleen in de negentiende-eeuwse Franse literatuur, maar ook in die van de door hem veroverde landen. De schrijvers bewonderden in Napoleon wat hen zo uitkwam: de verpersoonlijking van de beginselen van de Franse Revolutie, de veldheer of de keizer die over zijn volk heerste. De grote uitzondering is Tolstoj, die in Oorlog en Vrede Napoleon afschildert als iemand die een beetje belachelijk is omdat hij veel minder macht heeft dan hij zelf gelooft.

Na alle Napoleons die we de afgelopen eeuw te verwerken kregen, is het standpunt van Tolstoj ons verreweg het sympathiekst geworden. Het wekt dan ook verbazing als er een boek verschijnt dat aanhaakt aan de oude legende, net alsof het meer dan honderd jaar geleden geschreven werd. Vooral de napoleontische oorlogen zijn het onderwerp van de roman Broholm van Dirkje Kuik (1929). De 'Napoleonverering' die ook een rol speelt in het boek wordt begrijpelijk als je weet dat Kuik haar fascinatie voor Napoleon opdeed in haar jeugd; zij erfde die van haar vader, evenals de jongeman Dubois, de hoofdpersoon in Broholm. In het autobiografische 'Herinneringen aan de Oudekamp en omstreken', uit de verhalenbundel Piranesi & zijn dochter (1994), schreef ze: 'Nu had ik, nog voor ik kon lezen, via platenboeken uitgebreid kennis gemaakt met de krijgsgeschiedenis van Napoleon I en een grote achting voor deze onstuitbare held gekregen.'

Kuiks belangstelling voor krijgstaferelen en schilderkunst, en de belangrijke rol van de vader, worden verenigd in de roman Broholm, door de schrijfster zelf geïllustreerd met fragiele pentekeningen. De eerzuchtige en talentvolle Dubois wordt op voorspraak van zijn vader aangenomen als leerling op het atelier van David. Dat is niet toevallig - Jacques-Louis David was de hofschilder van Napoleon en hielp met schilderijen als Le Sacre (de keizerskroning in de Notre-Dame) de legende gestalte te geven. Dubois werkt enkele jaren met succes op het atelier, David zelf noemt hem een 'zelfstandige kleine meester', zelfs een 'genie'. Dan wordt hij in 1803 opgeroepen voor militaire dienst. Zijn vader, die zelf soldaat in het revolutieleger is geweest, en David moedigen hem aan dienst te nemen. Dubois maakt snel carrière, hij wordt adjudant-wachtmeester bij een elitekorps cavalerie.

Zowel Dubois als zijn vader komen op het einde van hun militaire loopbaan oog in oog te staan met Napoleon. Zijn vader vertegenwoordigt de oude garde van de 'snorrebaarden', echte ijzervreters maar op sentimentele wijze verknocht aan hun petit caporal. Tijdens een parade wordt hij herkend door Napoleon, dan nog consul, die het driekante steekje van zijn hoofd trekt en kapitein Dubois een saluut brengt, en hem daar bovenop nog eens een pensioen geeft. 'Het moet voor zijn vader, reeds op jaren, een van de geweldigste momenten uit zijn leven zijn geweest. De omstanders applaudisseerden.' Het is een van de typische tafereeltjes uit de legende, waarbij Napoleon zich ten overstaan van zijn ondergeschikten van zijn menselijke kant toont. Het is vergelijkbaar met het handenschudden, sollen met kinderen of het bestijgen van een rijwiel, al die dingen die de machthebbers doen om goed te lijken.

De jonge Dubois krijgt de keizer op bezoek als hij met een zware hoofdwond, toegebracht door een vijandelijke sabel, in bed ligt. Voor zijn heroïsche gedrag bevordert de keizer hem tot reservekapitein en benoemt hem tot ridder van het Legioen van Eer. Daarvoor heeft hij echter de ellende van de slachtvelden moeten doorstaan. Hij strijdt in 1805 bij Ulm en Austerlitz tegen de Oostenrijkers en de Russen. Kuik beschrijft zeer precies, soms wat langdradig, hoe die veldslagen er aan toe gingen. Oorlogswreedheden komen wel ter sprake, maar er wordt niet te lang bij stil gestaan: 'Het was de zesde, een onnodig bloedig dagje. Ach, als generaals haast hebben komt zoiets voor'. Er is geen tijd voor sentimentaliteit, want er moet een verhaal verteld worden. En dat kan Kuik, al hanteert ze daarbij soms wel erg krachtige termen: 'De uitgehongerde kloten stierven bij het werk als ratten'. Ze heeft zich de toon eigen gemaakt van de veteraan die sterke verhalen opdist; verhalen die volgens Tolstoj nooit lijken op de onoverzichtelijke realiteit van de veldslag, maar die wel prettig zijn om naar te luisteren.