Beschaving als misverstand

Herman Beliën en Monique van Hoogstraten: De Nederlandse geschiedenis in een notendop. Wat elke Nederlander van de Nederlandse geschiedenis moet weten. Prometheus, 120 blz. ƒ 16,90

Prof.dr. G.A. Kohnstamm en dr. H.C. Cassee, red.: Het cultureel woordenboek. Encyclopedie van de algemene ontwikkeling. Anthos (vierde, herziene en uitgebreide druk), 660 blz. ƒ 49,90

Steeds vaker hoor je de klacht dat onder de Nederlandse bevolking de 'algemene ontwikkeling', de 'kennis van onze cultuur' en de 'historische bagage' achteruit gaan. Er wordt dan gewezen op studenten die niet weten waarom Pasen wordt gevierd, en op leden van de Tweede Kamer die menen dat Willem van Oranje in 1600 bij Dokkum werd vermoord - en nijdig worden als dit niet zo blijkt te zijn.

Het probleem dat met deze klaagzang wordt aangesneden, is interessant, maar ook ingewikkeld. Wil men niet blijven steken in borrelpraat, dan rijst bijvoorbeeld de vraag wat precies 'algemene ontwikkeling' is - ja, wat 'kennis' is -, alsmede de vraag of jongeren tegenwoordig niet gewoon andere dingen weten dan vroeger, zoals over het Internet, over de kwaliteit van Nederwiet en over de trends in gansta-rap. Bovendien is het goed te beseffen dat de klacht in alle tijden heeft geklonken, te beginnen in het jaar 2000 voor Christus toen Egyptische priesters mopperden over de losbandige jeugd die 'niets meer weet' en de 'levenswijze der voorvaderen niet respecteert'.

Het kan echter nooit kwaad als iets wordt ondernomen tegen het vermeende geestelijk tekort van onze tijd. Zo verschenen onlangs twee boekens die beloven de onmisbare kennis te bieden voor een ieder die 'algemeen beschaafd' wenst te zijn. Het gaat hier om De Nederlandse geschiedenis in een notendop, met als alleszeggende ondertitel 'Wat elke Nederlander van de vaderlandse geschiedenis moet weten', en Het cultureel woordenboek. Encyclopedie van de algemene ontwikkeling, waarvan zojuist met enig publicitair gedruis een vierde geheel herziene en bijgewerkte druk het levenslicht zag.

Vlotte toon

Het boekje over de Nederlandse geschiedenis is geschreven door de aan de Universiteit van Amsterdam verbonden historicus Herman Beliën en door historica en publiciste Monique van Hoogstraten. Zij beogen in niet meer dan honderd bladzijden 'de hoofdlijnen van de Nederlandse geschiedenis' te bieden, want: 'de oude feiten moeten terug in onze herinnering.'

De auteurs vertellen in ultrakort bestek het verhaal van de Nederlanden vanaf de ijstijd tot aan het paarse kabinet. Dat doen zij op vlotte toon, en wie er geen bezwaar tegen heeft om als veertienjarige te worden aangesproken (in de trant van: 'Zo kennen we het volk van de bandkeramiek', als de bandceramische cultuur uit het neolithicum is bedoeld), zich niet opwindt over een enkele taalkundige uitglijder ('het verbond van edelen en haar doelen'), en de hand over het hart strijkt bij de onontkoombare versimpeling van complexe materie (zo pleegt stadhouder Willem II in dit boekje een 'staatsgreep' uit zucht naar 'krijgsroem', hoewel bij de bedoelde incidenten van 1650 vooral het nooit opgeloste probleem van de soevereiniteit in de Republiek speelde), krijgt inderdaad een soort vaderlands verleden uit de hogedrukketel.

De Nederlandse geschiedenis in een notendop kent eigenlijk slechts één bezwaar. Het is nogal onbruikbaar. Tenminste voor iedereen die 'die de oude feiten terug in de herinnering wil'. Het onvergeeflijke ontbreken van een register is hiervan de hoofdoorzaak. Bovendien bieden de tussenkopjes ('Op drift en bekeerd', 'Ergernissen', 'Koeien, haring en bier', 'Bidden, vechten en werken' - alsmede 'Bid en werk' over een episode van drie eeuwen later - 'Vrij', 'De geest der eeuw', 'Kaakjes') geen enkel houvast als men een persoon of gebeurtenis wil opzoeken die men niet meer exact in de tijd kan plaatsen.

Hoewel dit boekje slechts zo'n honderd pagina's telt, is het daardoor uitermate ontoegankelijk. Zelfs al zou men willen weten wanneer de slag bij Nieuwpoort plaatsvond, of wie Van Speijk, Bonifatius en Jacoba van Beieren zijn (volgens de auteurs 'kraaltjes zonder welke de ketting van ons verleden niet te rijgen is'), dan staat men radeloos, redeloos en reddeloos tegenover de dichtbedrukte bladzijden. Dit werk is kortom slechts leesbaar voor wie toch al weet hoe het vaderlands verleden in elkaar steekt, en die vindt hier uiteraard veel te weinig van zijn gading. Bovendien zal bij deze lezers de steno-stijl uiteindelijk het snelst op de lachspieren gaan werken, zoals bij de behandeling van de laatste halve eeuw: 'De pil maakte de weg vrij voor een groot aantal experimenten', 'Recentelijk ontdekte de jeugd XTC als partydrug en merkkleding om zich te onderscheiden van anderen' - en de uit deze krant overgenomen en ook nog onhandig geformuleerde uitsmijter: 'Nederlanders zijn zich weer gaan bezinnen op hun identiteit. Ze zoeken naar wat hen bindt. Dat is misschien vooral de vijftigjarige Johan Cruijff.' (Hij is dus geen bindende factor meer wanneer hij over enkele weken 51 wordt?)

Jammer van sommige zeker niet onaardige passages (zoals over de Verlichting in Nederland), maar historische kennis die niet toegankelijk is, die men niet kan opzoeken en die men niet kan terugvinden, dat is geen kennis, dat is vormeloos leesvoer en daar wordt men zelden wijzer van.

Opzoeken kan men wel naar hartelust in Het cultureel woordenboek. In dit naslagwerk is onder redactie van de Leidse emeritus hoogleraar ontwikkelingspsychologie G.A. Kohnstamm en kunsthistorica Elly Cassee 'de kennis van de cultuur' bijeengebracht 'die de algemeen ontwikkelde Nederlander eigenlijk zou moeten hebben'. Dat is niet niks, en het feit dat er sinds het eerste verschijnen in 1992 nu een vierde druk is, benevens het feit dat dit werk tot stand kwam 'onder auspiciën van de Sociaal-Wetenschappelijke Raad (SWR) van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen', wettigt de verwachting dat het hier gaat om een lichtbaken waarmee de zoekgeraakte culturele bagage kan worden teruggevonden.

In achtendertig hoofdstukjes, verdeeld over 660 bladzijden, is kennis op zeer divers terrein in lemmata bijeengebracht. Er is een bonte rij van medewerkers gevonden, waarbij hooggeleerden, journalisten en liefhebbers broederlijk bijeen staan. Dit is een vol boek. Maar hoe vol, dat bewijst zich eerst bij lezing.

Nobelprijs

Zo mag men benieuwd zijn wat in Het cultureel woordenboek bij 'Letteren na 1830' (door professor Hans van den Bergh tezamen met voormalig directeur van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten Els Broekema) wordt gemeld over de schrijver van het jongste boekenweekgeschenk, Arnon Grunberg.

Hij staat er niet in. Dat zegt natuurlijk niets. Zoals het ook niks zegt dat Ronald Giphart, Jean-Pierre Rawie, Jules Deelder en Martin Bril niet worden vermeld. (Nou ja, die laatste wel: onder het lemma Dirk van Weelden, maar niet in de index.) Gelukkig zijn vele bekende Nederlandse literatoren die 'men eigenlijk moet weten' om 'algemeen beschaafd' te zijn wel opgenomen, zoals Cissy van Marxveldt, Jan Terlouw, Karel Eykman, Jeanne van Schaik-Willink, Jan Blokker ('gerenommeerd schrijver van o.a. historische bijdragen') en H.J.A. Hofland.

Dan de sectie 'Wereldliteratuur', door hoogleraar Engelstalige literatuur aan de universiteit van Amsterdam Christel van Boheemen. Bij haar stuk deelt zij mee dat schrijvers 'wier werk niet literair belangrijk of vernieuwend is' onvermeld blijven, dat zij ook nergens de Nobelprijs voor Literatuur noemt, want daarbij 'wordt ook gelet op de humanistische strekking van het werk' en bovendien heeft James Joyce, 'de belangrijkste schrijver van de 20ste eeuw', deze prijs nooit gekregen. Somerset Maugham en Anita Brookner zijn zo bij voorbaat uitgesloten van Het cultureel woordenboek, en dat voorspelt niet veel goeds voor André Malraux, Elias Canetti, Françoise Sagan, Georgios Seferis, C.P. Snow, Susan Sontag, Muriel Spark, Joaquim Machado de Assis, Bernard Malamud, Louis Aragon, Kenzaburo Oë (Nobelprijs 1994), Fernando Pessoa, Ezra Pound, Raymond Queneau, Derec Walcott (Nobelprijs 1992), Michail Boelgagov, Philip Roth, Stephen Spender, Toni Morrison (Nobelprijs 1993), Wole Soyinka (Nobelprijs 1986), Franz Werfel, H.G. Wells, Claude Simon (Nobelprijs 1985), Camilo José Cela (Nobelprijs 1989), Wislawa Szymborska (Nobelprijs 1996), Ismail Kadare, Giacomo Leopardi, Junichuro Tanizaki, Torquato Tasso, Paul Theroux, Tom Wolfe, Michuel de Unamuno, John Updike, Gore Vidal, Kurt Vonnegut, Michel Butor, Pedro Calderón de la Barca, François Mauriac (Nobelprijs 1952), Cseslaw Milosz (Nobelprijs 1980), Ernst Jünger, Cicero, Gabriele d'Annunzio, Thomas de Quincey, John Dos Passos, Carlos Drummon de Andrade en Konstantinos Kavafis. Ze staan er geen van allen in. Dat zegt niets, er staan zovelen wel in, zoals Maurice Maeterlinck (zijn Nobelprijs van 1912 blijft uiteraard onvermeld) en Arthur Miller ('Moreel-didactische Amerikaanse toneelschrijver, kortstondig echtgenoot van Marilyn Monroe' - dit is de gehele uitleg).

Dan naar de vernieuwde sectie 'Film' (door filmkundigen Sandra van Beek, Nico J. Brederoo, Barbara Hin). Snel gezocht naar: D.W. Griffith, James Dean, Ingrid Bergman, Humphrey Bogart, Michael Curtis, Casablanca, Greta Garbo, Cecil B. de Mille, Jean Renoir, René Clair, Howard Hawks, Michael Curtiz, Peter Lorre, John Ford, John Wayne, William Wyler, Raoul Walsh, Max Ophuls, Gary Grant, Gregory Peck, Louis Malle, Busby Berkely, Douglas Sirk, Ernst Lubitsch, Walt Disney, Martin Scorcese, Brian de Palma, Richard Burton, Ethan & Noel Coen, Luchino Visconti, David Lean, Akira Kurosawa en Fons Rademakers.

Ze staan er niet in. (Er staat wel ergens 'zie Fonds Rademakers' maar er is geen lemma, noch wordt hij in de index vermeld, en Kurosawa wordt genoemd onder de J van 'Japanse film' maar niet in de index.) Wel worden vele anderen geduid, zoals Meryl Streep ('Altijd dezelfde, maar toch net anders'), Alex van Warmerdam ('In De jurk wordt door verschillende personages eenzelfde jurk gedragen'), Pim & Wim (van 'orpio Films' (sic); 'waren druk met het Nederlands filmklimaat'), en 'Komieken' ('Acteurs die ... een komisch type uitbeelden'). Met deze laatste zin doemt een probleem op van dit culturele woordenboek dat zwaarder weegt dan al de misschien nietszeggende omissies die men zo kan verzinnen (geen Frank Sinatra en Bruce Springsteen bij 'Populaire muziek', geen Issey Miyake bij 'Mode'; geen Rorschach-test, Gestalttherapie F.J. Buytendijk of Carl Rogers bij 'Individu en samenleving'; geen osmose bij 'Levenswetenschappen'; geen Kurt Gödel bij 'Wiskunde').

Neen, het verontrustende aspect van dit Cultureel woordenboek is fundamenteler. De samenstellers en de meeste scribenten blijken weinig benul te hebben van het maken van een naslagwerk. Wil men kennis overdragen - zeker als men dat wil op lexicografische grondslag - dan gelden een aantal regels. De uitleg dient niet tautologisch te zijn (dus niet: 'Komiek - iemand die komisch type uitbeeldt'). De uitleg dient begrijpelijk te zijn (dus niet: 'Toonsoort - de relatie van tonen in een muziekstuk tot de basis- of grondtoon', zonder dat toon, basistoon of grondtoon wordt toegelicht). De uitleg dient mening en feit niet te verwarren (dus niet: 'Nooit meer slapen - Magistrale roman', of 'Eyck, Aldo E. van - Een van de weinige echt oorspronkelijke architecten'). De uitleg dient juist te zijn (dus niet: 'Claudius Julius Civilis' als de leider van de Bataafse Opstand 'Gaius Julius Civilis heette, en niet schrijven dat Julius Caesar staatsman in de 'laatromeinse republiek' was als hij in de Romeinse late republiek leefde, niet schrijven dat het World Wide Web bestaat uit 'interactief gekoppelde databases' als het gaat om van hyperlinks voorziene tekst-met-plaatjes bestanden die je thuis op de PC kan maken, en evenmin melden dat Ard Schenk 'in 1970 wereldkampioen' werd, terwijl hij dat ook in 1971 en 1972 werd, en drie maal Olympisch goud won in dat laatste jaar).

Uitglijders

Bovenal dient de uitleg systematisch te zijn (dus niet: nu eens wel en dan weer niet het verschijningsjaar noemen van romans; of nu eens de geboortedata van personen vooraan het lemma en dan weer achteraan, en ze soms weglaten; of de ene mode-ontwerper 'coutourier' noemen en de volgende 'mode-ontwerper' en dan Laura Ashley omschrijven als 'modehuis').

Er zijn natuurlijk delen in dit boek waar het wel goed gaat (zoals 'Taal' en 'Wereldpolitiek') en er zijn ook delen die ik niet kan beoordelen wegens een tekort aan culturele kennis (zoals 'Fysica, Chemie en Astronomie'). Maar in te veel pagina's van dit boek wordt gewoon maar wat gebabbeld op een wijze alsof de medewerkers zelden een encyclopedie of lexicon hebben ingekeken, met akelig veel uitglijders tot gevolg. Zozeer, dat men benieuwd wordt naar wat die 'auspiciën van de Koninklijke Akademie der Wetenschappen' nu precies inhouden.

Na lezing van Het cultureel woordenboek zou men bijna zeggen dat het grootste probleem in Nederland niet de defecte 'algemene ontwikkeling' van de jeugd is, maar de defecte uitdrukkingsvaardigheid van de degenen die haar moet onderwijzen.

Rest nog vast te stellen dat in deze vierde 'geheel herziene en uitgebreide' druk de nieuwe spelling niet is doorgevoerd, zodat dit boek voor het onderwijs, zowat de enige plaats waar de nieuwe spelling verplicht is, onbruikbaar blijkt.