Zedenmeester

Mag ik mij aangesproken voelen door Herman Wigbold? In zijn bijdrage van 14 maart 'De overheid heeft ook een taak op moreel gebied' verwijst hij naar de smaakmakers van de seksuele revolutie 'die dachten dat de mensheid altijd in duisternis heeft gewandeld totdat zij op het wereldtoneel verscheen'.

Helaas specificeert hij deze stelling niet, maar ik durf er rustig van uit te gaan dat hij ook de Nederlandse Vereniging voor Seksuele Hervorming bedoelt die in de tijd waar hij naar verwijst circa 200.000 leden telde. Het maandblad Sextant - waarvan ik in die tijd hoofdredacteur was - haalde in 1969 een oplage van 250.000. Het blad stond in die tijd bloot aan felle kritiek van mensen die vonden dat Sextant alle normen en waarden overboord wilde gooien en zich uitleverde aan de commercie.

Wigbold beweert: “Deze revolutie kan niet los worden gezien van een cultuur die individualisering en zelfontplooiing alleen mogelijk achtte als men zich losmaakte van alle waarden uit het verleden.” Het lijkt een simpele constatering, maar de vraag is of deze bouwsteen in Wigbolds betoog wel de toets van de kritiek kan doorstaan.

Zoals ik ook destijds talloze malen heb moeten betogen, ging het de seksuele hervormers er niet om dat alle waarden uit het verleden moesten worden losgelaten. Hun voornaamste punt was - zoals destijds verwoord door dr. Mary Zeldenrust-Noordanus - dat er geen goede reden was voor een aparte seksuele moraal. Met de nadruk op apart.

Ook in zijn sociologische observaties gaat Wigbold heel kort door de bocht. Niet alleen constateert hij dat Nederland in moreel opzicht achterloopt op de rest van de wereld door krampachtig vast te houden aan achterhaalde ideeën over vrije seks (welke?), hij wijst tevens de televisie aan als een van de oorzaken van deze 'achterstand' omdat dit medium de positie die de kerk vroeger had, heeft ingenomen. Het gaat je duizelen bij zoveel inzichten.

    • Hans Baaij