Voorstel landbouw

Het nu bestaande systeem van toewijzing van quota voor melk blijft tot 31 maart 2006 bestaan. In vier stappen wordt het totale Europese melkquotum opgevoerd met twee procent. Daarvan moeten vooral jonge en bergboeren profiteren.

De gegarandeerde prijs voor boter en melkpoeder gaat met vijftien procent getrapt omlaag. Daartegenover wordt een premie per koe uitgekeerd, maar de hoogte daarvan wordt afhankelijk van de melkproductie. Brussel bepaalt de hoogte van dit premierecht, maar lidstaten mogen er een aanvulling op geven.

De gegarandeerde prijs voor rundvlees - de zogeheten interventieprijs - wordt met dertig procent verlaagd, vanaf 1 juli 2000 in drie stappen. Precies een jaar later wordt het nu bestaande interventiesysteem vervangen door een vergoeding voor de particuliere opslag van rundvlees. De directe inkomenssteun voor boeren met stieren en zoogkoeien wordt in dat jaar verhoogd. Het totaal aan Brusselse basispremies voor de boeren moet gelijk zijn aan de helft van het bedrag dat voor de hervorming in deze sector wordt uitgetrokken. Vijftig procent krijgen de lidstaten in een zogeheten 'nationale enveloppe' en mogen die steun naar eigen inzicht vormgeven, bijvoorbeeld per dier of per hectare.

De interventieprijs voor granen gaat in het jaar 2000 met twintig procent omlaag. Dat wordt gecompenseerd met een inkomenssteun voor elke ton die de akkerbouwer produceert. De graanprijsdaling werkt door in de opbrengst van fabrieksaardappelen. Die prijsdaling wordt slechts voor 44 procent gecompenseerd.

De verplichting tot het braak laten liggen van landbouwgrond, waar een vergoeding tegenover staat, wordt in de ijskast gezet, maar weer geactiveerd als er sprake is van overproductie. Boeren die vrijwillig land braak laten liggen krijgen een premie.

De premie op de productie van snijmaïs blijft gehandhaafd. Daarmee wil de Commissie vooral veehouders tegemoet komen.