Trou moet blijken

Estella Hijmans-Hertzveld (1837-1881)

Januari 1861

Een aaklig, hol kanongebom

Door duizende echo's weêrgegeven,...

Daar dreunt het noodgeklep alom

Door Gelderlands verstijfde dreven.

Helaas! dat zulk een vijand weêr

Het arme Neêrland moest bespringen!

Een vijand - niet in 't blank geweer

Dien mannenkracht terug kan dringen

Als mannenharten, onvervaard

Van heil'ge drift en liefde zwellen

Den trotschen vreemdling tegensnellen

Voor Vaderland en have en haard; -

Neen, somber naakt hij als de dood

En zeker in zijn greep als deze

Die vijand, wien geen moed, noch vreeze

Noch wanhoop keert - de Watersnood!

Dat bonst die noodklok door de luchten

Dat elk de schrik om 't harte slaat

Dat gillen dorpen en gehuchten:

'De Watersnood! hulp, redden, vluchten!'

En ach, voor velen toch te laat!

Nu we Estella Hijmans-Hertzveld, in geen honderd jaar door enig sterveling meer genoemd of geciteerd, hebben uitgeroepen tot 'de Arnhemse zwaan' moet ze wel een tweede gedicht. Een gedicht dat bonst, dreunt en gilt.

De poëzie is overal

Waar schoonheid is en gloed

Op berg en meir, in woud en dal

In 't diepste van 't gemoed

- luidt het credo van Estella. Kleine talenten moeten altijd meteen de kosmos in. Estella schrijft - het is in de tijd van de afschaffing van de slavernij - 'Het Lied der negerin, één dag vóór de vrijheid'. O, wat jubelt de negerin. Estella schrijft over sterren en oceanen. Ze schrijft over nobele koningen en ze schrijft over snode koningen -

'Voel zelf' - brult de krijgsman -

'Mijn zwaard op uw hoofd!'

En heeft reeds den Koning

Den schedel gekloofd -

Ze schrijft ook wel over een waterdruppel, maar dan over het heelal in een waterdruppel. O, hoe brult de waterdruppel. Lees haar gedichten, smeek ik u, hardop aan u zelf voor, brul ze, en beeld u in daarbij met een knots te zwaaien. Op die manier komen ze het meest tot hun recht. Estella schrijft over de wereldgeschiedenis in de allerruimste zin, over Julius Caesar en Hannibal.

We zagen dat ze ook het Hannibal-thema onmiddellijk stevig bij de horens pakte -

Afrika, vernederd Afrika

Hef het machtloos hoofd uit uwe

doodenwaê

- ja , er moest toch iets op Afrika rijmen. Het doet me denken aan Jopie Breemer die, toen ze hem tijdens een literaire thee-bijeenkomst vroegen: 'Toe Jopie, rijm eens iets op Afrika', even zijn ogen op het plafond richtte en toen op de proppen kwam met:

Zij sprak: 'Zeg Jan, heb jij een wond uit Afrika?'

'Ik ga er nooit meer heen, ik ben nog gaaf, Rika!'

In bijgaand gedicht schrijft Estella over de watersnood. In de negentiende eeuw hebben we een onafzienbare stoet citadelpoëten en watersnooddichters gehad. De citadelpoëzie had te maken met de Belgische opstand en de verdediging door Chassé van de citadel van Antwerpen, 1832. Van Speijk op het kruitvat, u weet wel. En de watersnood - nu, elke watersnood riep een stortvloed van poëtische misdaden op. Fijntjes werd gewezen op de lessen die we er uit konden trekken aangaande Gods bestier en onze zwakheid.

De opbrengst van watersnoodbundels en van watersnoodgedichten op losse vellen, die langs de deur werden gecolporteerd, was meestal ten bate van het rampenfonds.

Vanwege het goede doel en het lijden van de slachtoffers was elk klein talent al bij voorbaat verontschuldigd.

Goeie god, wat duiken er in uren van solidariteit veel kleine talenten op.

'Te laat!' De reuzenvracht der

Alpen

Het erfgoed van 't vervlogen jaar

Werd zelfs den forschen Rijn te zwaar.

Zijn golven wassen, hijgen

zwalpen -

- vervolgt Estella Hijmans-Hertzfel haar watersnoodgedicht. Het gaat nog negen bladzijden zo door. Citadel en watersnood vertegenwoordigen de negentiende-eeuwse geëngageerde poëzie, een soort verzetspoëzie: vanwege de ernst van de omstandigheden kneep men voor de kwaliteit een oogje dicht.

In een watersnoodvers wordt altijd gewezen op het feit dat God in zijn goedheid rampen over de mens brengt om ze in staat te stellen hulp te bieden en te genieten van de gave van het weldoen.

Wie zou bij zo'n majesteitelijke boodschap nog het lef hebben op het gedicht zelf te vitten? Tweede eigenschap van slechte poëzie: zodra zich populair leed aandient - lokaal leed, wereldleed - springt de dichter op de wagon om zich te kunnen zonnen in de gunst van een tijdelijk in z'n kritisch vermogen verlamd publiek.