Sociaal kapitaal

Twee weken geleden bracht de in Parijs gevestigde Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) rapport uit over de gang van zaken in de Nederlandse economie. Ons land kreeg een lovende beoordeling. Vijftien jaar geleden werd vanuit de collectieve sector nog beslag gelegd op twee derde van het nationale inkomen.

Het peil van de collectieve uitgaven is inmiddels teruggebracht tot de helft van wat de Nederlanders met elkaar verdienen, zonder dat achtereenvolgende bezuinigingsronden ons land onleefbaar hebben gemaakt. De toegepaste ombuigingen hebben de tekorten van de overheid en de sociale fondsen sterk verminderd. De druk van belastingen en sociale premies is fors gedaald. In 1983 slokte de fiscus 44 cent op van de loonkosten van een doorsnee werknemer. Inmiddels is dat nog maar 34 cent. Dat blijkt uit een andere publicatie van de OESO, die gaat over de Tax/Benefit Position of Employees. Doordat werknemers van hun brutoloon netto steeds meer overhielden, viel het de vakorganisaties de afgelopen jaren eenvoudiger zich bij onderhandelingen over loonsverhogingen terughoudend op te stellen. Gematigde loonstijgingen maakten ons land tot een aantrekkelijke plaats om nieuwe bedrijven te vestigen. De terughoudendheid van de werknemersorganisaties deed het aandeel van de kapitaalverschaffers toenemen van een stuiver tot twee dubbeltjes van elke verdiende gulden.

Met enige vertraging vertaalden de sterk verbeterde winsten zich in extra investeringen en een sterke groei van het aantal arbeidsplaatsen. Na 1985 kwam er meer dan een miljoen fulltime banen bij. De laatste jaren beliep de economische groei drie procent per jaar, of nog meer. Zie daar het Nederlandse model, dat momenteel elders nogal de aandacht trekt.

De sterke groei van het nationale inkomen gaat gepaard met stijgende prijzen van huizen en aandelen. Het in Nederland aanwezige fysieke kapitaal - dat bestaat uit dijken, wegen, huizen, kantoren, vervoermiddelen, maar dat ook de aardgasvoorraad en de kunstschatten in onze musea omvat - is nu meer dan drieëneenhalf biljoen gulden waard, dat is ruwweg vijf maal de waarde van het nationale inkomen. Daarnaast beschikt ons land over menselijk kapitaal in de vorm van een gemiddeld goed opgeleide en redelijk gezonde beroepsgeschikte bevolking. Fysiek en menselijk kapitaal dragen de verdere groei van de nationale productie.

Daarnaast kregen economen de laatste vijf jaar steeds meer oog voor het belang van het sociale kapitaal waarover een land beschikt. Dit bestaatuit het vertrouwen dat mensen in elkaar hebben en de normen die het maatschappelijk verkeer bepalen. Recent onderzoek, gepubliceerd in de novemberaflevering van The Quarterly Journal of Economics, toont aan dat sociaal kapitaal de economische ontwikkeling flink bevordert. De afgelopen jaren zijn mensen in tal van landen ondervraagd in hoeverre zij anderen vertrouwden, en in welke mate zij geneigd zijn de overheid op te lichten door misbruik te maken van sociale voorzieningen, te sjoemelen met de belastingen en zwart te rijden met het openbaar vervoer. De economen Knack en Keeper combineren de antwoorden met gegevens over de economische prestaties van dertig landen. Zij vinden een verrassend sterke samenhang: hoe groter het vertrouwen in de medemens en hoe meer burgerzin, hoe voorspoediger landen zich in de periode 1980-1992 hebben ontwikkeld.

Theoretisch viel deze uitkomst te voorspellen. Wanneer mensen elkaar vertrouwen komen transacties gemakkelijker tot stand. Niet alles hoeft contractueel te worden vastgelegd. Advocaten hebben het rustig. Leveranciers zijn soepeler met krediet. Werkgevers nemen aan dat hun werknemers geen lijntrekkers zijn en investeren in hun mensen. Spaarders verwachten dat de overheid hun bezit niet zal onteigenen en investeren meer. Dankzij lagere transactiekosten en een langere tijdhorizon floreert de economie.

Knack en Keeper ontdekten dat mensen elkaar minder vertrouwen in landen met grote inkomensverschillen. Wanneer bijvoorbeeld een smalle bovenlaag in het bedrijfsleven zichzelf verrijkt via aandelenopties, beschaamt dit in brede kring het vertrouwen dat iedereen 'eerlijk' deelt in de vruchten van de economische voorspoed, wat de matigingsbereidheid van de werknemers ondermijnt. Dit resultaat is natuurlijk koren op linkse molens. De resultaten van Knack en Keeper moeten echter ook - doorgaans linkse - voorstanders van een multiculturele samenleving tot nadenken stemmen. Naarmate een land sterker is opgedeeld langs etnische, godsdienstige of politieke scheidslijnen, blijkt het onderling vertrouwen in een samenleving te verminderen. Daarmee vernauwt het uitzicht op economische groei. Het onderzoek van beide Amerikaanse economen past naar het schijnt vooral in het straatje van de Socialistische Partij: we worden sneller rijk wanneer de overheid de opties hard aanpakt en een hogere dam opwerpt tegen de toestroom van nieuwkomers.