Snel verwend

naam: Sjef Timp leeftijd: 47 jaar woonplaats: Leiden transplantatie van: hoornvlies beroep: Hoofd personeelszaken bij een organisatie voor gehandicaptenzorg

“Zo'n tien jaar gelden kreeg ik een donorhoornvlies. Voor die operatie keek ik een jaar lang door een dikke mist. Ik heb een aangeboren oogafwijking, glaucoom, waardoor de druk in het oog te groot wordt. Uiteindelijk verloor ik het ene oog, terwijl ik met het andere voortdurend door een beslagen ruit keek. Mijn zicht was nog maar 10 tot 20 procent van dat van een gezond mens. “Ik heb mazzel gehad. De normale wachttijd zou zo'n half jaar tot negen maanden zijn, ik was na drie maanden al aan de beurt. Ik heb het hoornvlies als een geschenk aanvaard. Ik ging fluitend naar de opname en dacht: nu gaat er een wereld voor me open, dit wordt een prettige happening. “Maar dat viel tegen. Het werd na de transplantatie een nare en pijnlijke bedoening. Een half jaar later, op oudejaarsdag, begon mijn lichaam het hoornvlies plotseling af te stoten. Van twee vierkante millimeter weefsel werd ik zo ziek als een hond.

Rillend van ellende en zwaar onder de chemicaliën om de afstoting te stoppen, belandde ik in het ziekenhuis. “Het hoornvlies is toen na weken van behandeling toch behouden gebleven. Het heeft voorkomen dat ik door mijn oogziekte mijn baan had moeten opgeven of dat ik sociaal geïsoleerd zou zijn geraakt. Mijn gezichtsscherpte was na een maand zo goed als die nog nooit was geweest. Ik kon weer fietsen en van een beeldscherm lezen. “Maar een mens is snel verwend. Zo'n hoornvliestransplantatie is een ondankbaar werkje voor een arts, lijkt mij, want drie weken later voelt het al alsof het zicht nooit anders is geweest. Het is goed om er niet dagelijks bij stil te staan. Dat kan ook nooit de bedoeling van de donor zijn geweest. “Een transplantatie wordt in het ziekenhuis heel klinisch benaderd. Toch ga je je een beeld vormen van de donor. Blijkbaar had ik dat nodig omdat ik er geen genoegen mee kon nemen om heel intens contact te hebben met dat kleine stukje weefsel en niet met de rest van die mens. “Ik stel me hem voor als iemand die totaal niet op mij lijkt. Hij is iets jonger dan ik, extravert, klein en watervlug. Een beetje een Italiaans type. Maar ik hoef het niet echt te weten. Ook gaat het niet zover dat ik me schuldig voel over zijn dood. Hij heeft zelf gewild dat zijn organen niet nutteloos onder de grond verdwenen. Het was geen offer, hij is niet voor míEÉj gestorven. Hij is gestórven.”