Secon Groep; Groei en spektakel

Ze waren al de grootste van Nederland, maar door de overname van de Duitse Fink-Gruppe staat de Secon Group uit Amsterdam ineens in de top 50 van de Europese kledingleveranciers. De omzet van Secon, 250 miljoen gulden in 1997, zal met die van Fink erbij dit jaar meer dan verdubbelen.

Secon is een groep modemerk-ondernemingen waartoe onder andere Turn-Over (vrouwenmode) en G-Star (jeans) behoren. De groep is in 1992 ontstaan na een management-buyout uit het mode-importbedrijf Zantman International. De Fink-Gruppe in Darmstadt bestaat 50 jaar en is groot geworden in de tijd van het Wirtschaftswunder. Eind jaren '80 had Fink een omzet van 500 miljoen mark. Door mismanagement daalde de omzet tot de helft. Het bedrijf produceert de merken Fink, Yarell, Contraire en Louis Féraud.

Frans Scholtes, directeur van de Secon Group, is door het personeel van Fink met een donderend applaus binnengehaald. Dat ze blij met hem waren, kan hij zich wel voorstellen. “Ik kwam de salariszakjes brengen.” De Duitse concurrenten waren minder enthousiast over de overname. Scholtes: “Ze zaten allemaal te wachten op het faillissement van Fink. Dat een Nederlander ze te snel af was en het bedrijf voor één Duitse mark uit de surséance haalde, vonden ze niet leuk.”

De Secon Group is de afgelopen jaren snel gegroeid. Terwijl de meeste modebedrijven het zwaar te verduren hadden door een gebrek aan kooplust bij de consumenten, steeg de omzet van de groep van 177 miljoen gulden in 1992-'93 naar 247 miljoen in 1996-'97. In 1992 werd 70 procent van de omzet in Nederland behaald. Nu is dat nog maar 25 procent en komt 60 procent uit andere Noord-Europese landen. De overige 15 procent wordt buiten Europa gerealiseerd. Het succes van Secon is volgens Scholtes terug te voeren op de structuur van het bedrijf. “Onze modemerk-ondernemingen opereren zelfstandig, maar worden financieel strak geleid door de Secon-organisatie. De divisiemanagers zijn verantwoordelijk voor alles wat met mode te maken heeft: ontwerpen, inkopen van materialen, productiebegeleiding, marketing, klantencontact en verkoop. Secon Fashion Services zorgt voor logistiek, administratie en automatisering. Alle divisies werken aan de hand van een driejarenplan. Als dat eenmaal goedgekeurd is, kunnen ze hun gang gaan.”

De divisiemanagers bij Secon hebben aandelen in hun eigen merk. Dat varieert van 20 tot 40 procent. Vorig jaar nam de Belgische investeringsgroep Verlinvest een aandeel van 25 procent in Secon. Scholtes zelf is voor 37 procent aandeelhouder van het concern. “Door de divisiemanagers aandeelhouder te maken, kweek je betrokkenheid en voorkom je jobhopping”, zegt hij. “Dat is natuurlijk geen garantie voor succes. Er zijn altijd bedrijfsonderdelen die niet lopen. Als je een score van 60 of 70 procent hebt, doe je het goed.”

Met zijn witte overhemd, traditionele das en grijze broek heeft Scholtes weinig van een modeman. Dat klopt ook wel. Zijn familie heeft een vleeswarenfabriek die geleid wordt door zijn oudere broers. Na een economie-studie werkte Scholtes bij een factoring-onderneming voordat hij 14 jaar geleden bij Zantman International terechtkwam. Deze voorloper van Secon was importeur van merken en voerde daarnaast een paar eigen merken. Met de import van merken is Scholtes gestopt. “Je hebt relatief weinig invloed op het product, de marges zijn gering en als het goed gaat, wil de producent het zelf doen. Dat is een te groot risico.”

Bij de start van Secon, zes jaar geleden, waren er zeven merken. Dat is nog af te lezen aan de naam, een afkorting van seven connected to one. Inmiddels zijn er elf merken (Turn-Over, Arrow, G-Star, Gentiluomo, Issue, Anotherwoman, Easy Comfort, Creenstone, A-rticles, Performen's en Book's) plus nog eens vier nieuwe van Fink. Sommige merken zijn zelf opgezet, andere zijn overgenomen, zoals Arrow, dat uit een faillissement komt. Scholtes: “Onze criteria bij nieuwe activiteiten zijn altijd: hebben we het al qua assortiment en doelgroep, wat is de potentie en wat kost het? Voor de overname van Fink hadden we meerdere redenen: we hadden dat soort merken nog niet en het kostte niet veel, al was er wel een flinke financiële injectie nodig. Een groot voordeel voor ons is dat Fink met het merk Louis Féraud heel sterk is in Frankrijk, Engeland en Amerika. Féraud zet daar 100 miljoen mark om. Frankrijk is een ongelooflijk moeilijke markt voor buitenlandse ondernemingen. Als je het daar goed doet, kun je de hele wereld aan.”

De Secon Group richtte zich tot nu toe op de Beneluxlanden, Duitsland, Scandinavië, Oostenrijk en Zwitserland. Daar komen nu Frankrijk en Engeland bij. Amerika is pas in een later stadium aan de beurt. Scholtes: “Met Turn-Over en G-Star waren we al gestart in Frankrijk. G-Star doet het heel goed met zijn jeans. Het bedrijf groeit jaarlijks met 20 procent en heeft nu een omzet van 150 miljoen gulden. Sinds augustus vorig jaar heeft G-Star in Parijs een heel mooie eigen winkel onder de naam Raw Essentials. De winkel is bedoeld als voorbeeld voor mode-inkopers. Dat werkt heel goed. Als er modebeurzen zijn in Parijs, is het er stampvol en verdubbelt de omzet.”

Met hetzelfde oogmerk zullen in Parijs ook verkooppunten van Turn-Over worden opgezet. Het eerste verkoopadres is Galerie Lafayette, waar Turn-Over deze zomer een eigen shop krijgt. Scholtes verwacht dat Turn-Over heel groot wordt in Frankrijk. “Wat wij brengen, vind je niet in Frankrijk: betaalbare merkkleding voor vrouwen vanaf 18 jaar. Onze prijzen liggen 20 tot 30 procent lager dan die van vergelijkbare Franse merken.”

Secon heeft geen eigen productie, alle kleding wordt gemaakt bij loonbedrijven in Oost-Europa, Turkije en het Verre Oosten. De Fink-Gruppe werkt op dezelfde manier, maar heeft in Duitsland nog twee kleine confectiefabrieken. Die twee bedrijven blijven bestaan, zegt Scholtes, in verband met de Amerikaanse markt. “In Amerika moet het land van herkomst in de kleding staan. We verkopen daar veel Féraud. Je kunt moeilijk in een pakje van 1500 dollar Made in Croatia zetten, dat ziet er niet goed uit.”

Scholtes zit twee dagen in de week bij Fink in Darmstadt. Voor de herstructurering heeft hij Peter Brock aangetrokken, een Duitser die dat soort klussen vaker heeft gedaan. “We zoeken nu divisiemanagers voor de merken van Fink. We gaan daar op dezelfde manier werken als in Nederland, met zelfstandig opererende divisies. Zelfs het gebouw in Darmstadt gaan we in vieren opdelen.” Voor het merk Féraud heeft Scholtes al een manager gevonden, de Amerikaanse Elisabeth Kan. Zij heeft Harvard gedaan, in Parijs op een coutureschool gezeten en gewerkt bij Givenchy en Kenzo. Elisabeth Kan werkt in Parijs. Scholtes: “We gaan de design- en marketingafdeling van Féraud overbrengen naar Parijs, want 'Louis Féraud - Darmstadt' klinkt niet lekker, vind ik. De productie, techniek en logistiek blijven in Duitsland, want dat kunnen ze daar beter dan in Frankrijk.”

Scholtes heeft spectaculaire plannen met het merk Féraud, dat nu voor 49 procent in handen is van de Secon Group. De overige 51 procent zijn nog van de Franse couturier Louis Féraud. “We gaan grote shows geven en voor perspubliciteit zorgen. Je moet denken aan shows als die van Dior en Givenchy, waarbij Engelse ontwerpers voor veel publiciteit zorgen. We willen het merk Féraud weer tot leven brengen. Dat dat kan, zie je aan Gucci.”

Of er nieuwe ontwerpers aangetrokken worden om dat spektakel te realiseren, weet Scholtes nog niet. Hij wacht op de plannen van Elisabeth Kan. In ieder geval is hij ervan overtuigd dat het mogelijk is de omzet in Féraud-vrouwenkleding binnen drie tot vier jaar te verdubbelen.

Ook de omzet van Secons topmerken G-Star en Turn-Over denkt hij in die periode te kunnen verdubbelen. Hij gelooft ook in de groeipotentie van zijn andere merken. Aan een einde aan de groei denkt Scholtes voorlopig niet. Maar op verdere grote ontwikkelingen aan het Secon-front hoeven we in 1998 niet te rekenen, zegt hij. Eerst moeten de nieuwe Duitse ondernemingen gezond gemaakt worden.