PRESERVATIE

In de Wet op de orgaandonatie wordt een hersendode orgaandonor omschreven als een beademd stoffelijk overschot. Dat duidt op rust. Maar in werkelijkheid heerst rond de hersendode vaak koortsachtige activiteit, bedoeld om de organen in het lichaam in optimale conditie te houden.

Deze medische handelingen staan bekend als preserverende handelingen. Door inadequate behandeling gaat, zo blijkt uit buitenlands onderzoek, eenderde van de donororganen verloren. Bij een geregistreerde donor mogen artsen al voordat zij de hersendood hebben vastgesteld medische ingrepen uitvoeren om de organen voor transplantatie te behouden. Orgaanpreserverende behandeling voor de hersendood mag alleen indien uitstel tot na het overlijden de orgaandonatie in gevaar brengt.

De ingrepen mogen ook niet strijdig zijn met de geneeskundige behandeling van de patiënt. Bij mensen die de beslissing aan hun nabestaanden overlaten, mag enige vorm van preservatie pas gebeuren, nadat de hersendood officieel is vastgesteld, zo stelt de wet. Na vaststelling van de hersendood zijn veel meer ingrepen toegestaan om de organen goed te houden. Levensbedreigende bloeddrukdalingen, een ontregelde vochthuishouding en zelfs een hartstilstand kunnen worden behandeld met medicijnen, infusen en reanimatie. Een goede behandeling van potentiële donoren is van groot belang om bruikbare organen te verkrijgen. Dit heeft tot nu toe te weinig aandacht gekregen, zo schreven de internisten en intensive care-artsen dr. B. Speelberg en M.J.E. van Puyenbroek van het Tilburgse St. Elisabeth Ziekenhuis vorig jaar juni in hun artikel 'Adequate preservering van organen bij hersendode patiënten voor eventuele transplantatie' in het Nederlands Tijdschrift voor Geneeskunde.

Speelberg en Puyenbroek beschrijven wat er gebeurt met het hart- en bloedvatensysteem van een aan hersendood stervende, tot welke complicaties dat kan leiden en wat daar tegen te doen is. Vlak voor het intreden van de hersendood scheiden de klieren die worden aangestuurd door de hersenen massaal adrenaline-achtige stoffen uit, wat leidt tot een versnelde hartslag en hoge bloeddruk. Nadat de hersendood is ingetreden, zo beschrijven Speelberg en Puyenbroek, valt uiteindelijk iedere regulering door hersenhormonen weg. Hormonen die bij leven door de hypofyse (een klier die tegen de hersenen aan ligt) worden uitgescheiden, regelen bloeddruk en vochthuishouding. De hypofyse scheidt bijvoorbeeld vasopressine uit in het bloed. De hoeveelheid ervan wordt door de hersenen gereguleerd op grond van binnengekomen gegevens over de vochthuishouding in het lichaam.

Hoe meer vasopressine via de bloedstroom de nieren bereikt, hoe meer vocht de nieren vasthouden. Als de hersenen sterven, houdt de hypofyse op met de aanmaak van vasopressine en geven de nieren onbekommerd vocht af aan de blaas. Wanneer daartegen niets gebeurt, krijgt de patiënt spoedig een hartstilstand. Ook bloeddruk, hartslag en lichaamstemperatuur raken snel van slag als de hersenen afsterven. De organen in de donor kunnen binnen een paar uur na het intreden van de hersendood onherstelbaar beschadigd raken, als niets wordt ondernomen tegen de toenemende chaos in het lichaam van de hersendode donor. Vochtinfusen om de gestoorde nierwerking te compenseren, giften van rodebloedlichaampjesconcentraat, medicijnen om de bloeddruk te verhogen, eventueel kortdurende reanimatie na hartstilstand, warm houden van de donor met een warmteschild, verwarmd matras of verwarmde infusen, aanpassen van de beademing aan de lagere zuurstofbehoefte, regelmatig reinigen van de luchtwegen en verleggen om de longen ontplooid te laten en een gift van antibiotica uit voorzorg horen tot de goede zorg van de donor in de paar uur die meestal verstrijken voordat de organen worden uitgenomen.