Op zoek naar de kroonjuwelen

Wat is er toch mis met D66? Waarom verloopt het proces bij die partij geheel volgens de lijnen die velen reeds vier jaar geleden hadden voorspeld? Kan D66 dan toch alleen maar bestaan bij de gratie van pieken en dalen? Met nog zeven weken te gaan tot de verkiezingen voor de Tweede Kamer kijken de Democraten aan tegen pijnlijk constante peilingen die een halvering van de partij voorspellen.

Het meest tragisch is nog wel dat D66-ers de glijvlucht gelaten ondergaan. De partij is in al haar zelfanalyses nog niet veel verder gekomen dan het uitspreken van de hoop dat de kiezers zich alsnog zullen bedenken.

Een simpele oplossing is ook niet direct aanwezig. Eigenlijk zijn bij D66 alle 'klassieke' oorzaken voor een forse afstraffing door de kiezer afwezig. De partij is in het kabinet niet bovenmatig ontrouw geweest aan het eigen programma, één van de belangrijkste redenen voor het zware verlies dat de Partij van de Arbeid in 1994 leed. De partij heeft niet te maken met grote verdeeldheid in eigen huis, één van de verklaringen voor het recordverlies dat het CDA in 1994 kreeg te verwerken. D66 heeft ook geen janboel van het regeren gemaakt. Met Winnie Sorgdrager heeft de partij weliswaar een zwakke minister van Justitie geleverd, maar daar staat weer een zeer succesvolle minister van Economische Zaken in de persoon van Hans Wijers tegenover.

Het grote probeem van D66 is veel abstracter en daarom ook zo moeilijk hanteerbaar: de partij is vooral onzichtbaar. Een klassieke partij zou met dat gegeven wel weten om te gaan. Dan wordt, zoals dat in het Haagse jargon heet, eenvoudigweg 'het eigen gezicht' even wat opgepoetst. Maar voor een partij die juist als enige principe het niet hebben van principes heeft, is een terugtocht naar de 'roots' per definitie onmogelijk.

Toch blijft het punt of met deze fatalistische constatering alles is gezegd. Het begrip 'D66 staat voor niets' achtervolgt de partij al sinds 1966. Tegelijkertijd wordt gesteld dat als D66 vandaag zou worden opgeheven, de partij morgen direct weer zou worden opgericht. Op de één of andere manier weten de Democraten toch een vacuüm te vullen. Alleen is de omvang van dat vacuüm zeer conjunctuurgevoelig. D66 is voor de kiezersgunst altijd weer afhankelijk van de mate waarin het electoraat de andere partijen beoordeelt. Hoewel de Socialistische Partij zich als zodanig manifesteert, is D66 in feite de echte tegenpartij. D66 heeft grote overwinningen steevast te danken aan teleurgestelde kiezers die vinden dat de partij die eigenlijk hun sympathie heeft, het heeft laten afweten.

In 1994 heeft D66 zodoende volop geprofiteerd van de inertie die de coalitie van PvdA en CDA uitstraalde. De coalitie ook die D66 er niet bij wilde hebben. D66-leider Van Mierlo kwalificeerde het kabinet-Lubbers/Kok als het kabinet dat van niets en niemand was. Hij nam echter geen afstand van de beleidsdoelstellingen van het kabinet. Integendeel, bij het aantreden van het kabinet in 1989 kondigde de afgewezen partner aan oppositie te zullen gaan voeren voor een centrum-links beleid.

De beloning voor deze houding volgde bij de verkiezingen van 1994 toen D66 een sprong maakte van twaalf naar 24 zetels; hetzelfde aantal dat de partij nu minimaal weer dreigt kwijt te raken. Volgens de wetmatigheden die D66 sinds de oprichting achtervolgen kan het verlies gewoon geïncasseerd worden, in de veilige wetenschap dat de partij bij een volgende gelegenheid weer kan dienen als vangnet voor teleurgestelde kiezers. Maar D66 zou ook eens kunnen nagaan waarom zij er toch maar niet in slaagt de uiterst smalle basis van de partij enigszins te verbreden.

D66 kreeg vier jaar geleden bijna eenzesde deel van het electoraat in de schoot geworpen, maar heeft vervolgens heel weinig ondernomen om die mensen aan zich te binden. De nijvere fractiespecialisten van D66 kunnen ieder voor zich een prachtig verhaal ophouden over de correctheid van hun standpunt op het 'beleidsdossier' dat zij beheren. Maar uitgerekend op het punt van het bekritiseren van de politieke cultuur, de reden waarom mensen in 1994 en masse op D66 stemden, heeft de partij het ernstig laten afweten. Sterker nog, eenmaal onderdeel geworden van de macht leek soms het enige doel van D66 nog de macht niet meer uit handen te geven.

In de geboorteakte van D66, het uit 1966 stammende appèl 'aan iedere Nederlander die ongerust is over de ernstige devaluatie van onze democratie' staat het feilen van het parlement prima beschreven. De door regeringspartijen gevormde meerderheid in het parlement is “meer betrokken bij het bestendigen van de coalitie dan bij de belangen van de kiezers”, aldus het stuk. Maar laat het nu juist de Kamerleden van D66 zijn die zich de afgelopen jaren hebben gedragen als bodyguards van 'hun' bewindslieden inplaats van als controleurs. Voor het dualisme in het parlement moet men bij de VVD zijn en niet bij D66.

Vanaf de oprichting heeft D66 bezwaar gemaakt tegen het systeem, maar zodra de Democraten zijn toegelaten tot alle onderdelen van dat systeem draait de partij er kritiekloos in mee. Nu is het nota bene het CDA dat de politieke cultuur moet hekelen. In de regering wordt de burgerbeweging D66 een gewone partij, en dat is nu juist wat D66 niet kan zijn. “Het valt niet goed in te zien wat de onmisbaarheid is van een partij die slechts een subtiele schakering vertegenwoordigt in het bestaande ideologische kleurengamma”, luidt één van de laatste zinnen in de door Van Mierlo geschreven 'wederopstandingsverklaring' van D66 uit 1985. Dit is precies de positie waarin D66 zich de afgelopen jaren heeft gemanoeuvreerd.

De uitweg staat overigens in dezelfde verklaring, die de naam 'Een reden van bestaan' meekreeg, beschreven: “Wil D66 de moeite van het bestaan waard blijven, dan moet het blijven kiezen voor een moeilijker weg. Het moet een signaal aan de kiezer zijn voor de noodzaak van ingrijpende vernieuwing van de politieke cultuur. Daarnaast moet het functioneren als een partij binnen het bestel - maar zich tegelijkertijd zoveel mogelijk onttrekken aan gangbare politieke houdingen.” De analyse is helder. Het enige dat D66 nu nog moet doen is er naar handelen.